ECLI:NL:CBB:2023:640

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
17 november 2023
Zaaknummer
22/1353
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister na intrekking beroep subsidie vaste lasten COVID-19

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak gedaan zonder zitting, omdat voldoende informatie aanwezig was om de minister te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. De zaak betreft een beroep van eiser tegen een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL).

De minister heeft het eerdere besluit ingetrokken en alsnog subsidie toegekend, evenals vergoeding van wettelijke rente vanwege te late betaling. Hierdoor heeft eiser zijn beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van gemaakte reiskosten en verletkosten voor het bijwonen van de zitting.

Het College stelt vast dat de minister aan eiser is tegemoetgekomen en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten, waaronder reiskosten per openbaar vervoer en verletkosten. Tevens wijst het College op de wettelijke verplichting voor de minister om griffierecht te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2023.

Uitkomst: De minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiser ter hoogte van €86,90.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1353
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 21 november 2023 in de zaak tussen
[naam 1], handelend onder de naam
[naam 2]( [naam 1] ), te [woonplaats]
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigden: drs. E.S.M. Slot en mr. E. Brouwers)

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan [naam 1] is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 Met het besluit van 15 juni 2023 heeft de minister het besluit van 23 mei 2022 ingetrokken, het besluit van 12 november 2021 herroepen en alsnog een subsidie op grond van de TVL voor Q3 2021 aan [naam 1] verleend. Het College stelt vast dat [naam 1] het beroep na de zitting van 27 juli 2023 met zijn e-mail van 18 september 2023 heeft ingetrokken. Reden hiervoor is dat de minister op 25 augustus 2023 een besluit heeft genomen waarin hij concludeert dat [naam 1] recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente omdat de minister zijn subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) te laat heeft uitbetaald.
4 [naam 1] heeft tegelijk met de intrekking van het beroep verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op 27 juli 2023: € 50,- reiskosten en € 55,- verletkosten. De minister stelt zich op het standpunt dat [naam 1] in aanmerking komt voor vergoeding van € 33,60 reiskosten. De reisafstand van het adres van [naam 1] naar het Paleis van Justitie in Den Haag bedraagt 60 km. De reiskosten bedragen daarom € 0,28 x 60 x 2 = € 33,60. De minister kan zich vinden in de opgegeven verletkosten en verzoekt het College deze vast te stellen op € 55,-.
5 Het College is van oordeel dat de minister met het besluit van 25 augustus 2023 ook wat betreft de wettelijke rente aan [naam 1] is tegemoetgekomen. Nu de minister [naam 1] pas ten tijde van deze beroepsprocedure is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
6 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb volgt dat de reiskosten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Uit laatstgenoemde bepaling volgt dat [naam 1] in aanmerking komt voor vergoeding van de reiskosten per openbaar vervoer (laagste klasse). De kosten voor een reis per openbaar vervoer (laagste klasse) van het adres van [naam 1] in [woonplaats] naar het Paleis van Justitie in Den Haag en weer terug bedragen € 31,90. Het College zal de minister veroordelen tot vergoeding van deze kosten.
7 Gelet op het standpunt van de minister zal het College de minister daarnaast veroordelen tot vergoeding van de verletkosten van [naam 1] tot een bedrag van € 55,-.
8 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 86,90.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2023.
w.g. H.L. van der Beek w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.