ECLI:NL:CBB:2023:564
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens te late indiening
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021. De minister wees de aanvraag af omdat deze niet tijdig was ingediend, namelijk na de uiterste datum van 20 augustus 2021 om 17.00 uur. De onderneming voerde aan dat de aanvraag slechts drie weken te laat was en dat de coronamaatregelen en wijzigende omstandigheden binnen de horeca een tijdige aanvraag bemoeilijkten. Tevens stelde zij dat het weigeren van de subsidie vanwege de te late indiening in strijd was met het verbod van détournement de pouvoir en het evenredigheidsbeginsel.
De minister stelde dat de aanvraag terecht was afgewezen omdat de regeling een dwingende afwijzingsgrond bevat voor te late aanvragen en dat het de verantwoordelijkheid van de ondernemer is om tijdig te zijn. Het College oordeelde dat de minister terecht de aanvraag afwees, omdat de regeling en de aanvraagperiode duidelijk waren en andere ondernemers wel tijdig konden aanvragen. Het beroep op détournement de pouvoir en het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het doel van de regeling juist gebaat is bij een strikte aanvraagtermijn om snel steun te bieden.
Het College concludeerde dat de afwijzing niet in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. C.T. Aalbers op 3 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag wordt terecht afgewezen wegens niet tijdige indiening.