ECLI:NL:CBB:2023:354
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens ingetrokken suppletieaangifte
De onderneming, exploitant van een kermisattractie, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De minister wees de aanvraag af omdat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden van minimaal 30% omzetverlies en vaste lasten van ten minste € 3.000,-. De minister baseerde zich op omzetgegevens uit de originele aangifte omzetbelasting, waarin een omzet van € 0,- in Q4 2019 stond.
De onderneming stelde dat een suppletieaangifte over Q4 2019 was ingediend op 6 mei 2021, waarin een omzet van € 137.060,- werd opgegeven. De minister onderzocht dit en kreeg van de Belastingdienst te horen dat de suppletieaangifte was ingetrokken wegens tegenstrijdigheden in de aangiften over 2019. De onderneming betwistte dit niet.
Het College oordeelde dat de minister terecht geen rekening hield met de ingetrokken suppletieaangifte en de oorspronkelijke aangifte omzetbelasting als uitgangspunt nam. De onderneming voldeed daardoor niet aan de omzetverliesvoorwaarde. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak bevestigt dat bij de TVL-regeling alleen rekening wordt gehouden met omzetgegevens zoals die zijn ingediend en geaccepteerd door de Belastingdienst, en niet met ingetrokken suppletieaangiften. Dit waarborgt de uitvoerbaarheid en administratieve duidelijkheid van de regeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de suppletieaangifte is ingetrokken.