Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2023 in de zaak tussen
[naam 1] , h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,
de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedure
Standpunt appellant
Standpunt verweerder
Beoordeling door het College
Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt verweerder daarom alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. In zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 26 februari 2021, noemt verweerder als voorbeeld van deze bijzondere gevallen dat een onderneming in de referentieperiode te kampen heeft gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving, waardoor deze geen referentieomzet heeft en daarom niet in aanmerking komt voor de TVL. Het College vindt dat niet onrechtmatig, zoals al vaker geoordeeld.
Q2 2019 was in die zin een normaal kwartaal voor appellant. In het subsidiekwartaal had appellant, door zijn inzet op de vaccinatielocatie, een veel hogere omzet dan in Q2 2019, waardoor hij niet voor subsidie in aanmerking komt. Dat hij bij het hanteren van Q2 2020 als referentieperiode wél in aanmerking zou komen voor subsidie, maakt niet dat sprake is van een schrijnende situatie op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van de standaard referentieperiode in de TVL. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
Beslissing
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;