ECLI:NL:CBB:2023:29

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
16 januari 2023
Zaaknummer
21/168
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Verordening (EG) nr. 882/2004
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep veehouder tegen kosten hercontrole Wet Dieren ongegrond verklaard

Een veehouder werd geconfronteerd met een last onder bestuursdwang vanwege overtreding van regels uit de Wet Dieren. Na een hercontrole door de NVWA werden kosten van €673,- aan hem in rekening gebracht. De veehouder betwistte deze kosten en stelde dat de controle niet gericht was op naleving van de last onder bestuursdwang, maar op zijn bijzondere positie als melkproducent met koperserkenning.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat op grond van artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 882/2004 de minister verplicht is de kosten van een hercontrole bij de verantwoordelijke in rekening te brengen. De hercontrole betrof een aanvullende officiële controle na vaststelling van niet-naleving van voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn.

Het College vond geen aanwijzingen dat de hercontrole een ander doel diende dan het controleren van de naleving. Daarom mocht de minister de kosten in rekening brengen. Het beroep van de veehouder werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van de veehouder tegen de kosten van de hercontrole is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 21/168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen

[veehouder] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2018 heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de bij of krachtens de Wet dieren gestelde regels.
Op 28 januari 2019 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een (her)controle uitgevoerd op het bedrijf van appellant. Voor die controle heeft verweerder bij besluit van 14 juni 2019 bij appellant een bedrag van € 673,- in rekening gebracht.
Bij besluit van 24 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het gefactureerde bedrag ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022.
De zaak is behandeld samen met de zaken nummers 20/566 t/m 20/571, 20/617, 20/763, 20/860, 21/166, 21/167, 21/169, 21/1146, 22/225 en 22/1788.
Appellant is verschenen. Voor appellant zijn ook verschenen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn voor verweerder verschenen mr. J.W.J. Reuvers en mr. A.H. Spriensma. Ook is verschenen mr. M.A. Sijbrandij van het COKZ.

Overwegingen

1. Op 26 juli 2018 heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd waarbij appellant een aantal maatregelen is opgelegd. Op 28 januari 2019 heeft een toezichthouder van de NVWA een (her)controle uitgevoerd op het bedrijf van appellant. De daarmee gemoeide kosten bedragen, aldus verweerder, € 673,-.
2. Appellant heeft betwist dat hem deze kosten in rekening kunnen worden gebracht. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de rapporten van bevindingen vaak niet met de werkelijkheid overeenkomen en dat de controle niet heeft plaatsgevonden met als doel om te controleren of aan de door verweerder bedoelde last onder dwangsom van 26 juli 2018 werd voldaan, maar te maken had met zijn bijzondere positie, omdat hij melk produceert en tegelijkertijd beschikt over een koperserkenning om melk te kunnen verhandelen. Het handelen van de NVWA is volgens appellant ingegeven door de wens om hem zijn kopersnummer af te nemen.
3. Het College overweegt het volgende. Op grond van artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoerders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (Verordening 882/2004) is verweerder verplicht om de kosten van hercontroles, die plaatsvinden nadat vastgesteld is dat voorschriften inzake de bescherming van de diergezondheid en het dierenwelzijn niet zijn nageleefd, in rekening te brengen bij degene die voor de niet-naleving van die voorschriften verantwoordelijk is. Met een hercontrole wordt in dit verband bedoeld: een aanvullende officiële controle, die plaatsvindt na de vaststelling van een niet-naleving en die verder gaat dan de gewone controleactiviteiten van de bevoegde autoriteit.
4. Verweerder heeft verklaard dat met het besluit van 14 juni 2019 slechts de kosten van een aanvullende officiële controle in de zin van artikel 28 van Pro de Verordening 882/2004 in rekening zijn gebracht. Appellant heeft dit niet betwist. Het College gaat ervan uit dat inderdaad sprake was van een aanvullende officiële controle in de hier bedoelde zin. Er bestaan onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de hercontrole met een ander doel is verricht. Dit betekent dat verweerder de kosten van de hercontrole bij appellant in rekening mocht brengen.
5. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.
6. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. J.M.M. Bancken