Appellante diende beroep in tegen de afwijzing van haar aanvraag voor de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het vierde kwartaal van 2020. Na het bestreden besluit en het ongegrond verklaren van bezwaar, verleende de minister alsnog de subsidie middels een vervangingsbesluit.
Hierdoor was het geschil over het vierde kwartaal opgelost en ontbrak procesbelang voor het beroep, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid. Appellante verzocht tevens om TVL voor latere kwartalen in 2021, maar het College kon hier niet op ingaan omdat daarvoor geen aanvragen waren ingediend en de aanvraagtermijnen waren verstreken.
Het College erkende de administratieve last voor kleine organisaties zoals appellante, maar benadrukte dat per kwartaal afzonderlijk subsidie moest worden aangevraagd. Het griffierecht werd aan appellante vergoed omdat zij in het gelijk werd gesteld over Q4 2020. Het beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.