Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 21 maart 2022 uitspraak gedaan in zaaknummer 20/835. Appellanten hadden beroep ingesteld tegen een besluit van de Kamer van Koophandel betreffende de inschrijving van uittreding van bestuurders en gevolmachtigden in het handelsregister.
Tijdens de procedure bleek dat appellanten op 13 oktober 2020 een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten, waarna het beoogde resultaat van het beroep feitelijk was bereikt door een inschrijving van de uittreding van bestuurders en gevolmachtigden en de wijziging van aandeelhouderschap. Appellanten bevestigden ter zitting dat het beroep daarmee zijn doel had bereikt.
Het College oordeelde dat het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht onvoldoende is om een procesbelang aan te nemen. Omdat appellanten geen belang meer hadden bij een inhoudelijke beoordeling, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.