Appellante exploiteert een zoogkoeien- en vleesveehouderij en ontving fosfaatrechten die onjuist waren vastgesteld, met name voor 14 stuks mannelijk jongvee ouder dan een jaar die geen fosfaatrechten waren toegekend. Verweerder erkende deze fout, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.
Het College oordeelde dat het zelf niet kon voorzien in de zaak omdat het niet beschikte over de benodigde gegevens om het juiste aantal fosfaatrechten toe te kennen. Verweerder werd opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen binnen zes weken, rekening houdend met deze uitspraak.
Verder werd het betoog van appellante dat sprake zou zijn van een individuele en buitensporige last verworpen, omdat zij onvoldoende onderbouwing leverde. Het College stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep was overschreden met 17 maanden, waardoor appellante recht had op een schadevergoeding van € 1.500,-.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellante. De uitspraak werd gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 22 juni 2021.