ECLI:NL:CBB:2021:618

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
14 juni 2021
Zaaknummer
20/162
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:92 AwbArt. 23 lid 3 Meststoffenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens juiste vaststelling fosfaatrecht, wel schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Appellant, een melkveehouder, maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Na meerdere besluiten werd het fosfaatrecht uiteindelijk juist vastgesteld in het herzieningsbesluit II. Het beroep tegen deze vaststelling werd daarom ongegrond verklaard.

Appellant verzocht daarnaast om schadevergoeding wegens het tijdelijk niet kunnen beschikken over fosfaatrechten en wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. Het College oordeelde dat het enkel niet kunnen beschikken over fosfaatrechten op zichzelf geen schade oplevert, vooral omdat voor het jongvee waarop de fosfaatrechten betrekking hadden geen rechten nodig waren. Tevens was appellant niet concreet en onderbouwd in het aantonen van schade of causaal verband.

Wel stelde het College vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep met 16 maanden was overschreden. Daarom werd de minister veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- aan appellant. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellant ter hoogte van € 267,-. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, maar het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 1.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/162

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2021 in de zaak tussen

[naam onderneming] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: H. Rietveld)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Meijerink).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 1.233 kg.
Bij besluit van 25 september 2018 (herzieningsbesluit I) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 866 kg.
Bij besluit van 22 oktober 2019 (herzieningsbesluit II) heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 1.277 kg.
Bij besluit van 27 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het herzieningsbesluit II gehandhaafd.
Bij brief van 30 april 2021 heeft appellant het College verzocht om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de door hem geleden schade.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Namens appellant is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat verweerder met herzieningsbesluit II het fosfaatrecht van appellant juist heeft vastgesteld. Het beroep is dan ook ongegrond. Ter beoordeling rest alleen nog het verzoek om schadevergoeding.
2. De gestelde schade bestaat uit twee elementen, schade ten gevolge van het tijdelijk niet kunnen beschikken over fosfaatrechten en schade door overschrijding van de redelijke termijn.
3. Het ligt gelet op artikel 8:92, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de weg van de verzoeker om duidelijk te maken welke besluiten of andere in artikel 8:88 van Pro de Awb genoemde handelingen als onrechtmatige daad ten grondslag liggen aan het verzoek. In dit geval is volgens appellant sprake van een onrechtmatige daad omdat zijn fosfaatrecht ten onrechte is verlaagd in het herzieningsbesluit I. De stelplicht en bewijslast van de schade en het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de minister en de schade liggen bij de melkveehouder.
4. Appellant betoogt dat hij schade heeft geleden doordat hij in 2018 door het herzieningsbesluit I niet heeft kunnen beschikken over 411 kg fosfaatrechten. Volgens appellant dient de schade aan de hand van de gemiddelde leaseprijs van 2018 en de gemiddelde transactieprijs berekend te worden. Appellant stelt dat hij volgens die berekeningsmethode 411 x 0,9 x € 42,37 in totaal € 15.672,66 schade heeft geleden.
5. Het College is van oordeel dat niet is gebleken van de door appellant geleden schade. Het enkel niet kunnen beschikken over fosfaatrechten leidt op zich niet tot schade. Te meer omdat verweerder in de betrokken periode van mening was dat voor het betreffende jongvee waarop de fosfaatrechten zagen, geen fosfaatrechten nodig waren. Van andere omstandigheden waaruit schade voortvloeit door het tijdelijk niet beschikken over fosfaatrechten is niet gebleken. Voor zover appellant ter zitting heeft aangevoerd dat hij door het niet kunnen beschikken over fosfaatrechten mogelijk andere bedrijfskeuzes heeft gemaakt dan hij anders zou hebben gedaan, geldt dat niet concreet is gemaakt wat de schade dan is, en ook niet is onderbouwd dat er een causaal verband tussen die eventuele schade en het tijdelijk niet beschikken over die fosfaatrechten bestaat. Het College zal het verzoek om schadevergoeding daarom in zoverre afwijzen.
6. Het College stelt verder vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, die in dit geval op twee jaar moet worden gesteld, is overschreden. Gegeven het tijdsverloop tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 22 februari 2018 en de dag van deze uitspraak heeft appellant recht op € 1.500, - schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandelingsduur van het bezwaar is overschreden met 16 maanden. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van Pro de Awb verweerder veroordelen tot betaling van de schadevergoeding.
Slotsom
7.1
Het beroep is ongegrond.
7.2
Het College zal het verzoek om schadevergoeding toewijzen voor zover het betreft de immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. Gelet hierop bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze wordt vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder is toe te rekenen, zal verweerder in de proceskosten van appellant worden veroordeeld.

Beslissing

Het College
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 1.500,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M. Khababi griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen