ECLI:NL:CBB:2021:593
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over last onder dwangsom wegens taxivervoer zonder vergunning in Amsterdam
Appellant, werkzaam als taxichauffeur in het Gooi, werd op 2 november 2019 betrapt op het aanbieden van taxivervoer op een als illegale opstapplaats bekendstaande laad- en losplaats aan het Damrak te Amsterdam zonder de vereiste Taxxxivergunning. Een agent stelde een rapport van bevindingen op waarin werd vastgesteld dat appellant met een als taxi herkenbare auto ruim zeven minuten stil stond en passagiers meenam zonder dat deze via een officiële taxibestelling waren verkregen.
Verweerder legde appellant een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012. Appellant voerde aan dat hij wachtte op klanten die hij via via had gekregen en overhandigde een verklaring van een collega en een WhatsApp-belgeschiedenis als bewijs. Het College oordeelde echter dat deze verklaring niet overeenkwam met de belgeschiedenis en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij daar stond ter uitvoering van een bestelde taxirit.
Het College bevestigde dat het standpunt van verweerder, gebaseerd op het rapport van bevindingen, voldoende bewijs vormt voor de overtreding. Het College overwoog dat een taxichauffeur die op een illegale opstapplaats staat zonder een bestelde rit aan te nemen, geacht wordt taxivervoer aan te bieden zonder vergunning. Daarom werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.