1.2Op 26 november 2018 heeft appellante verzocht om vaststelling van de subsidie. Op het daartoe strekkende formulier heeft zij als aankoopdatum van de 30 warmtepompen 1 november 2018 vermeld.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de subsidie mogelijk staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie omvat en daarom moet voldoen aan het vereiste van stimulerend effect in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening nr. 651/2014. Dat betekent in dit geval dat appellante een aanvraag moest indienen voordat zij een verplichting tot aankoop van een te subsidiëren apparaat aanging. Appellante ging de verplichting tot aankoop van de apparaten echter al aan op 6 februari 2018, toen zij de aannemingsovereenkomst aanging. Er is dus geen sprake van stimulerend effect. Ook zijn de kosten al gemaakt voor indiening van de aanvraag. Verweerder concludeert dat de subsidie terecht op nihil is vastgesteld op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat het stimulerend effect en de subsidiabele kosten voorwaarden voor de verlening van de subsidie zijn en geen verplichtingen. Daarom kan verweerder niet op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb de subsidie op nihil zetten vanwege het niet voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Het vereiste van stimulerend effect is niet van toepassing omdat de subsidie niet kwalificeert als staatssteun. Voor zover het College zou oordelen dat het stimulerend effect en de subsidiabele kosten wel vereisten zijn, heeft appellante hieraan voldaan. De subsidie heeft een stimulerend effect gehad. De aankoopverplichtingen zijn pas aangegaan na het indienen van de aanvraag. Dat blijkt uit onder meer de stukken betreffende de bestelling van de warmtepompen op 3 september 2018 en de facturering door de leverancier van de warmtepompen op 19 september 2018 en 18 oktober 2018. Verweerder neemt ten onrechte aan dat de aannemingsovereenkomst van 6 februari 2018 een onvoorwaardelijke en juridisch bindende toezegging inhoudt om de gespecificeerde warmtepompen daadwerkelijk te bestellen. Ter zitting heeft appellante er op gewezen dat de technische specificaties van de aannemingsovereenkomst, waarin de warmtepompen zijn opgenomen, tijdens de uitvoering van de aannemingsovereenkomst nog kunnen worden gewijzigd. Appellante betwist dat sprake is van onjuistheden of onvolledigheden in de aanvraag. Verweerder had namelijk uit de subsidieaanvraag kunnen afleiden dat er reeds een aannemingsovereenkomst was gesloten en kunnen vaststellen dat de warmtepompen in de technische specificaties waren opgenomen.
4. Verweerder heeft toegelicht dat hij heeft bedoeld de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb lager vast te stellen omdat de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt. Volgens verweerder is het Unierechtelijke steunkader wel van toepassing, en is het stimulerend effect derhalve wel vereist. Appellante heeft de datum van de aannemingsovereenkomst, waaruit de verplichting tot aankoop van de warmtepompen blijkt, niet bij de aanvraag vermeld. Als verweerder ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest met de datum van deze overeenkomst, zou de subsidie niet zijn verleend. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit bedoeld te stellen dat als er geen subsidie kan worden vastgesteld, er ook geen sprake kan zijn van subsidiabele kosten.
5. Het College komt tot de volgende beoordeling.