Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2021 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
Beroepsgronden
Ter zitting heeft appellante verder nog naar voren gebracht dat de termijn van artikel 8 van Pro de Regeling is overschreden.
Tot slot heeft appellante ter zitting verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Het betoog faalt.
Hardheidsclausule
“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”
Het College begrijpt dat het voor appellante door de gebrekkige registraties bij het (deels) overgenomen bedrijf en zonder een besluit van verweerder over periode 1 in 2017 lastig was om te bepalen van welk referentieaantal zij uit moest gaan. Verweerder hoefde hierin echter geen grond te zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Daartoe heeft verweerder van belang mogen achten dat het de verantwoordelijkheid van de melkveehouder zelf is om aan de Regeling te voldoen, dat de verantwoordelijkheid voor een deugdelijke administratie bij de melkveehouder en de vorige eigenaar van de overgenomen dieren ligt, dat appellante ermee bekend was dat de administratie en registratie bij het door haar overgenomen bedrijf niet op orde was en dat het voor haar rekening en risico komt dat de door haar gemaakte inschatting van het referentieaantal voor haar negatief uitpakt. Daarbij komt dat appellante in 2017 zelf haar (aangepaste) I&R-gegevens kon raadplegen.
Het betoog faalt.
De termijn van artikel 8 van Pro de Regeling
Gewijzigde rundaantallen en geldsommen in verweer
€ 17.217,60 voor periode 3, € 14.736,- voor periode 4 en € 16.204,80 voor periode 5. Verweerder verzoekt het College de geldsommen overeenkomstig deze berekeningen vast te stellen. Dit zal het College doen.
Overschrijding redelijke termijn
€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellante toe te kennen bedrag € 1.000,-.
Slotsom
€ 534,- per punt en van een licht gewicht (wegingsfactor 0,5).
Beslissing
€ 17.217,60 voor periode 3, € 14.736,- voor periode 4 en € 16.204,80 voor
periode 5;
€ 2.136,-;
19 januari 2021
.
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.