De minister legde aan [naam 1] B.V. een bestuurlijke boete op wegens het vervoer van een varken dat niet geschikt was voor het transport, omdat het dier niet pijnloos kon lopen. De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit, stellende dat het rapport van de toezichthoudend dierenarts onvoldoende bewijs bood dat het dier voorafgaand aan het transport ongeschikt was.
In hoger beroep voerde de minister aan dat het rapport en een aanvullend rapport voldoende bewijs vormden, maar het College volgde de rechtbank en oordeelde dat het aanvullend rapport niet als bewijs kon worden betrokken omdat het te laat was ingebracht en de minister geen goede reden gaf voor het late bewijs.
Het College stelde vast dat het oorspronkelijke rapport geen concrete feiten bevatte waaruit kon worden afgeleid dat het letsel zichtbaar was vóór of tijdens het transport, en dat het dier niet nader was onderzocht om het stadium van de ontsteking vast te stellen. Hierdoor was onvoldoende komen vast te staan dat het dier ongeschikt was voor vervoer.
Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bleef in stand. Daarnaast werd de minister veroordeeld in de proceskosten van [naam 1].