Appellante exploiteerde een melkveebedrijf dat vanwege de verbreding van een provinciale weg moest worden verplaatst. Zij ontving een schadeloosstelling en hield op de peildatum geen melkvee meer. Appellante stelde dat zij tijdelijk minder melkvee hield door de infrastructuurwerken en dat zij recht had op een verhoging van het fosfaatrecht op grond van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Verweerder wees dit verzoek af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij na de peildatum nog melkvee wilde houden of actief op zoek was naar een nieuwe locatie. Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde dat de vermindering van melkvee tijdelijk was en dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 72a.
Het beroep richtte zich op de vraag of verweerder het primaire besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht had moeten herzien. Het College concludeerde dat verweerder terecht geen fosfaatrecht had vastgesteld omdat er geen melkvee aanwezig was op de peildatum. De beroepsgrond van een individuele en buitensporige last was onvoldoende onderbouwd en faalde.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, was dit gebrek niet benadelend voor appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar appellante kreeg vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten toegekend.