ECLI:NL:CBB:2020:558
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep op knelgevallenregeling fosfaatrechten wegens dierziekte niet gegrond
Appellante exploiteert een melkveehouderij en heeft te maken gehad met dierziekten die de omvang van haar veestapel negatief beïnvloedden. Zij verzocht om toepassing van de knelgevallenregeling op grond van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet, waarmee zij een verhoging van haar fosfaatrecht wenste vanwege de uitzonderlijke uitval van dieren.
Verweerder stelde dat de 5%-drempel niet werd gehaald en dat het fosfaatrecht correct was vastgesteld op basis van de wettelijke peildatum 2 juli 2015 en alternatieve peildata. Het College oordeelde dat de berekening van appellante niet in lijn is met de wet- en regelgeving en dat de knelgevallenregeling alleen van toepassing is indien het fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door diergezondheidsproblemen.
Het beroep richtte zich uitsluitend op de vraag of het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht herzien moest worden op grond van de knelgevallenregeling. Het beroep op een individuele en buitensporige last kon in deze procedure niet meer aan de orde komen. Het College verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep op de knelgevallenregeling wordt ongegrond verklaard omdat de 5%-drempel niet is gehaald.