ECLI:NL:CBB:2020:527

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
11 augustus 2020
Zaaknummer
18/2979
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 23, derde lid, Meststoffenwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij fosfaatrechtenstelsel

Appellante, een maatschap, maakte bezwaar tegen het vastgestelde fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Appellante gaf aan niet te beschikken over voldoende kennis van het fosfaatrechtenstelsel en wees op analfabetisme als reden voor de termijnoverschrijding.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat deze omstandigheden geen grond vormen om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De bezwaartermijn is essentieel voor rechtszekerheid en het uitgangspunt is dat appellante zelf verantwoordelijk is voor het behartigen van haar belangen, waaronder het tijdig inwinnen van deskundige informatie.

Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter I.M. Ludwig, met griffier M. Khababi aanwezig.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: G. Pippel)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Piron)

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op
7.661 kilogram.
Op 17 september 2018 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 15 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2020. Namens appellante is [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Appellante heeft de bezwaartermijn ruim overschreden en als reden aangegeven dat zij tijdens de bezwaartermijn dacht geen aanspraak te kunnen maken op de knelgevallenregeling. Appellante heeft daarbij aangegeven niet te beschikken over de kennis om te kunnen begrijpen wat het fosfaatrechtenstelsel voor haar bedrijf betekent. Ter zitting heeft [naam 2] voorts aangegeven analfabeet te zijn.
3. Het College ziet hierin geen grond om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De bezwaartermijn waarborgt de rechtszekerheid. Als de termijn is verlopen, moet ervan uit kunnen worden gegaan dat het besluit definitief is geworden. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Uitgangspunt is dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante behoort om zorg te dragen voor de behartiging van haar belangen en daartoe de nodige maatregelen te treffen. Appellante had daarom tijdig informatie moeten inwinnen bij een deskundige. Op deze wijze had appellante kunnen onderzoeken of zij bezwaar had kunnen indienen.
4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
5. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. M. Khababi, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2020.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen