Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] , appellant,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Overwegingen
Omvang van het geschil
Knelgevallenregeling
.Bij het besluit van 8 mei 2020 heeft verweerder dit verzoek voor periode 2 alsnog toegewezen en het referentieaantal van appellant voor die periode met toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Regeling verhoogd. Verweerder is daarbij van 27 maart 2012 als alternatieve peildatum uitgegaan.
Overige beroepsgronden
Beoordeling van de overige beroepsgronden
Het College volgt verder de stelling van appellant dat sprake is van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet. Verweerder was niet gehouden om in de bestreden besluiten op het belang van de bedrijfscontinuïteit van appellant in te gaan, alleen al omdat appellant in bezwaar niet heeft aangevoerd dat die in gevaar is en ten tijde van dat besluit ook overigens niet bleek dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar was of zou komen.
Overschrijding redelijke termijn
Omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van Pro de Awb de Staat veroordelen tot betaling van € 1.500,- aan appellant.