ECLI:NL:CBB:2019:702
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen vaststelling fosfaatrecht en toepassing knelgevallenregeling
Appellant exploiteert een grondgebonden melkveebedrijf en was vanaf november 2014 ziek. Verweerder stelde bij het primaire besluit het fosfaatrecht vast op 7.799 kg, gebaseerd op het aantal melk- en kalfkoeien op 2 juli 2015. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling en beriep zich op de knelgevallenregeling, die een verlaging van het fosfaatrecht mogelijk maakt bij bijzondere omstandigheden.
Verweerder herrekende het fosfaatrecht met inachtneming van twee extra runderen en de gemiddelde melkproductie in 2015, wat leidde tot een fosfaatrecht van 7.818 kg en een verschil van 4,81%, waardoor de drempel van 5% niet werd gehaald. Appellant stelde dat zonder die twee runderen de drempel wel gehaald zou worden, maar het College oordeelde dat de regeling geen ruimte biedt voor een afwijkende toepassing.
Het College vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet en stelde het fosfaatrecht vast op 7.818 kg. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellant. De eerdere aanwijzing als knelgeval in een andere regeling was niet relevant voor deze procedure.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het fosfaatrecht wordt vastgesteld op 7.818 kg.