ECLI:NL:CBB:2019:693

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 december 2019
Publicatiedatum
13 december 2019
Zaaknummer
19/584
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WtraArt. 43a WtraHoofdstuk V Wtra
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen gronden

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de accountantskamer op grond van artikel 43 van Pro de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). Volgens de Wtra moet het beroepschrift de gronden van het hoger beroep bevatten en binnen zes weken na verzending van de uitspraak van de accountantskamer worden ingediend.

Het beroepschrift van appellanten bevatte geen gronden. Het College heeft appellanten bij brief in de gelegenheid gesteld deze gronden alsnog binnen zes weken in te dienen. Deze brief werd onbestelbaar retour gezonden, waarna een gewone brief werd verzonden. Appellanten hebben binnen de gestelde termijn geen reactie gegeven.

Appellant lichtte ter zitting toe dat zij in een afgelegen gebied in Spanje wonen waar postbezorging problematisch is. Ondanks deze omstandigheden heeft het College geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn omdat zij geen voorzieningen hebben getroffen, zoals het opgeven van een postadres in Nederland.

Het College concludeert dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet tijdig indienen van de gronden en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.S.J. Albers op 17 december 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het hoger beroep.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/584
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2019 op het hoger beroep van:
[naam 1], appellant,
en [naam 2], appellante, te [plaats] ,
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 15 maart 2019, nummer 18/698 Wtra AK, gegeven op een klacht, door appellanten ingediend op 10 april 2018 tegen
[naam 3] RA, (betrokkene)

Procesverloop

Appellanten hebben op grond van artikel 43 van Pro de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam 4] . Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1.1
Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wtra kan binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep worden ingesteld bij het College. In artikel 43a, eerste lid, van de Wtra is bepaald dat hoger beroep wordt ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College. Op grond van artikel 43a, tweede lid, van de Wtra bevat het beroepschrift de gronden van het hoger beroep.
1.2
Gelet op de omstandigheid dat het hogerberoepschrift van appellanten geen gronden bevat, zijn appellanten bij aangetekend verzonden griffiersbrief van 19 april 2019 in de gelegenheid gesteld deze gronden binnen zes weken, derhalve uiterlijk op 31 mei 2019, in te dienen. Omdat deze brief onbestelbaar retour is gekomen, is de brief op 22 mei 2019 per gewone post nogmaals aan appellanten verzonden. Van appellanten is vóór het verstrijken van de gestelde termijn geen reactie ontvangen.
1.3
Op 5 juni 2019 heeft appellant telefonisch contact gehad met de griffie van het College. Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij de aangetekende brief niet heeft ontvangen en de gewone brief wel.
1.4
Ter zitting heeft appellant toegelicht dat appellanten in een tamelijk afgelegen gebied in het noorden van Spanje wonen, waar gewone post niet aan huis wordt bezorgd maar moet worden opgehaald en aangetekende post nog wel eens blijft liggen. In de ter zitting door appellant overgelegde “zittingsnotities” zijn gronden van het hoger beroep opgenomen.
2. Het College stelt vast dat binnen de gestelde termijn geen hogerberoepsgronden zijn ingediend en dat appellanten zich vóór het verstrijken van die termijn ook anderszins niet tot (de griffie van) het College hebben gewend. In de door appellant ter zitting toegelichte omstandigheden ziet het College geen grond voor het oordeel dat appellanten niet in verzuim zijn geweest. Het had op de weg van appellanten gelegen om voorzieningen te treffen om de aan die omstandigheden verbonden risico’s weg te nemen of te beperken, bijvoorbeeld door een postadres in Nederland op te geven. Dat hebben zij niet gedaan. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en
mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer