ECLI:NL:CBB:2019:467
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- J.A.M. van den Berk
- T. Pavićević
- H.S.J. Albers
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen herberekening en uitbetaling betalingsrechten landbouwbedrijf 2015
Appellante exploiteert een landbouwbedrijf en had in de Gecombineerde opgave 2015 27 percelen opgegeven, waarvan 18 als blijvend grasland. Verweerder had oorspronkelijk 24,30 betalingsrechten toegekend, later na bezwaar 41,53 betalingsrechten vastgesteld op basis van gewijzigde subsidiabele gewascodes. Bij het primaire besluit werd de uitbetaling herberekend tot €6.878,15, wat leidde tot een terugvordering van €2.368,15 omdat 19 betalingsrechten niet waren benut.
Appellante stelde dat de percelen 1 tot en met 9, die wel subsidiabel waren verklaard, ten onrechte niet voor uitbetaling van betalingsrechten waren meegenomen omdat zij deze niet expliciet had aangevinkt in de aanvraag. Verweerder beriep zich op de regelgeving dat alleen percelen die voor uitbetaling zijn opgegeven in aanmerking komen en dat na sluiting van de aanvraagperiode wijzigingen alleen bij kennelijke fouten mogelijk zijn, wat hier niet het geval was.
Het College overwoog dat de toewijzing van betalingsrechten gebaseerd moet zijn op de subsidiabele oppervlakte die de landbouwer in de aanvraag heeft opgegeven voor uitbetaling. Hoewel verweerder een grotere subsidiabele oppervlakte constateerde dan appellante had opgegeven, mag de uitbetaling niet hoger zijn dan het opgegeven areaal. Het beroep faalde daarom.
Daarnaast stelde het College vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep was overschreden met drie weken, wat een schadevergoeding van €500,- rechtvaardigt. Deze overschrijding was volledig toe te rekenen aan het College, dat de minister van Justitie en Veiligheid veroordeelde tot betaling van deze vergoeding.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister veroordeeld tot schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister veroordeeld tot betaling van €500,- schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.