ECLI:NL:CBB:2019:453
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrecht en grondgebondenheid bij melkveebedrijf
Appellant, exploitant van een melkveebedrijf, stelde dat de fosfaatruimte onjuist was vastgesteld omdat drie percelen die hij gebruikte niet waren meegeteld. Deze percelen waren eigendom van zijn broer, en appellant had mondelinge afspraken om mest af te zetten en gras te kopen, maar geen eigendom of huurovereenkomst. Verweerder stelde dat appellant geen feitelijke beschikkingsmacht had over deze percelen en dat de oppervlakte landbouwgrond correct was vastgesteld op 77,50 hectare.
Het College overwoog dat voor opname van grond in de fosfaatruimte feitelijke beschikkingsmacht vereist is, waaronder het kunnen afstemmen van teelt- en bemestingsplannen. Appellant had deze macht niet, omdat hij geen eigenaar of huurder was en alleen beperkte gebruiksrechten had. Ook was de opgegeven oppervlakte niet onderbouwd met bewijs van een grotere landbouwgrondoppervlakte.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, achtte het College dit gebrek niet benadelend voor appellant en verklaarde het beroep ongegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen en de fosfaatruimte correct is vastgesteld.