ECLI:NL:CBB:2019:421

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 september 2019
Publicatiedatum
12 september 2019
Zaaknummer
18/2617
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-tijdig ingediend bezwaarschrift tegen fosfaatrecht

Appellante, een maatschap, heeft bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde fosfaatrecht door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het primaire besluit dateert van 3 januari 2018, en het bezwaar moest binnen zes weken worden ingediend. Appellante diende haar bezwaarschrift echter op 15 februari 2018 in, wat na de uiterste termijn van 14 februari 2018 was.

Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening. Appellante heeft geen gronden aangevoerd om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te laten gelden. Het College oordeelt dat de termijnoverschrijding terecht niet is verschoond en dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is toegepast.

Hoewel de gevolgen voor appellante aanzienlijk zijn, kan dit de wettelijke termijnen niet buiten beschouwing laten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege niet-tijdige indiening van het bezwaarschrift zonder verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante
(gemachtigde: ing. H.G. Versteeg)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Krari en mr. C. Zieleman)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op
4.353 kilogram.
Bij besluit van 20 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd en niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder het primaire besluit op 3 januari 2018 op de in artikel 3:41 van Pro de Awb voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat ingevolge artikel 6:8 van Pro de Awb de termijn op 3 januari 2018 aanving en
14 februari 2018 de laatste dag was waarop nog tijdig bezwaar gemaakt kon worden. Het namens appellante op 15 februari 2018 ter post verzonden bezwaarschrift is derhalve niet tijdig ingediend.
3. Appellante heeft noch in bezwaar noch in beroep gronden aangevoerd waarmee zij stelt dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet worden gelaten omdat zij niet in verzuim is geweest. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van Pro de Awb.
4. Dat de gevolgen van de niet-ontvankelijkheidverklaring voor appellante groot zijn maakt niet dat de in de Awb bepaalde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift buiten beschouwing moet worden gelaten.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M.M. van Dalen