ECLI:NL:CBB:2019:28
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- R.W.L. Koopmans
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting onderneming voor toepassing startersfaciliteit S&O-verklaring
Appellante, een dochteronderneming van een verbonden vennootschap, heeft een beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat om haar geen startersfaciliteit toe te kennen bij de S&O-verklaring voor 2016.
De kern van het geschil is of appellante als startende onderneming kan worden aangemerkt of dat zij een voortzetting vormt van een deel van de onderneming van haar moedermaatschappij. Verweerder stelde dat de activiteiten van appellante niet wezenlijk verschillen van die van de moedermaatschappij en dat personeel en S&O-activiteiten zijn overgegaan, waardoor de startersfaciliteit niet van toepassing is.
Appellante voerde aan dat haar activiteiten fundamenteel anders zijn, met een andere focus en zonder overdracht van activiteiten. Het College heeft echter geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van wezenlijk nieuwe activiteiten en dat de eerdere S&O-verklaringen van de moedermaatschappij meetellen.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de weigering van de startersfaciliteit terecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat sprake is van voortzetting van een deel van de onderneming van een verbonden vennootschap, waardoor de startersfaciliteit niet van toepassing is.