ECLI:NL:CBB:2019:229
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht bij bouwwerkzaamheden afgewezen
In deze zaak heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het fosfaatrecht van een melkveebedrijf vastgesteld op 4.795 kilogram fosfaat op basis van de situatie op 2 juli 2015. Het melkveebedrijf stelde dat door bouwwerkzaamheden het fosfaatrecht ten onrechte lager was vastgesteld en dat zonder deze werkzaamheden het fosfaatrecht minimaal vijf procent hoger zou zijn geweest.
De appellant voerde aan dat zij vanwege de bouwwerkzaamheden bewust minder vee hield en dat de melkproductie was gedaald. Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet kan het fosfaatrecht worden aangepast als aannemelijk wordt gemaakt dat het recht minimaal vijf procent lager is door bijzondere omstandigheden. De appellant gaf een alternatieve peildatum van 12 augustus 2014 op, waarop het fosfaatrecht hoger werd berekend.
Het College oordeelde dat de appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrecht op de peildatum lager was door de bouwwerkzaamheden. De gegevens toonden fluctuaties in dierenaantallen en melkproductie in 2014 en na de alternatieve peildatum, zonder duidelijke afname. Ook een vergelijking met een alternatieve datum dichter bij de bouwwerkzaamheden liet de 5%-drempel niet meer gelden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Het College zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling en sprak de beslissing uit op 11 juni 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het fosfaatrecht wegens bouwwerkzaamheden wordt ongegrond verklaard.