ECLI:NL:CBB:2019:214

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
17 mei 2019
Zaaknummer
18/1479
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid herzieningsverzoek wegens onredelijke termijn afgewezen

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven behandelde het verzet tegen de beslissing om een verzoek tot herziening niet-ontvankelijk te verklaren omdat het verzoek meer dan een jaar na de uitspraak was ingediend. Verzoeker erkende de overschrijding van de termijn en voerde geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die een uitzondering konden rechtvaardigen.

De kern van het geschil betrof de vraag of de termijn van één jaar voor het indienen van een herzieningsverzoek verlengd kon worden vanwege de grote financiële belangen. Het College oordeelde dat de bestaande jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen ruimte biedt voor een dergelijke verlenging en dat verzoeker geen gronden had aangevoerd om hiervan af te wijken.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 21 mei 2019.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het herzieningsverzoek is ongegrond verklaard.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2019 op het verzet van

[naam] , te [plaats] , verzoeker,
(gemachtigde: mr. M.P. Visser)

Procesverloop

Bij uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) heeft het College beslist op het beroep van verzoeker tegen een beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken van 18 maart 2014.
Verzoeker heeft, bij op 14 augustus 2018 bij het College ingekomen brief, het College verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien.
Bij uitspraak van 6 november 2018 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak van 6 november 2018 verzet gedaan en heeft daarbij verzocht om te worden gehoord.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 mei 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. H. van Aardenne. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker het verzoek om herziening meer dan een jaar na de uitspraak van 1 september 2016, en daarmee onredelijk laat, heeft gedaan.
2. Verzoeker heeft in verzet niet betwist dat dat het verzoek om herziening meer dan een jaar na de uitspraak van 1 september 2016 is gedaan en heeft erkend dat er geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoeker stelt zich echter op het standpunt dat vanwege de grote (financiële) belangen de termijn van één jaar in dit geval niet heeft te gelden.
3. In verzet is slechts de vraag aan de orde of het College het verzoek om herziening terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege de onredelijk late indiening daarvan.
4. In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker het verzoek om herziening niet onredelijk laat heeft gedaan. De met de uitspraak van (de grote kamer van) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:308) ingezette lijn in de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters voorziet niet in verlenging van de termijn van één jaar. In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet het College geen grond om van die lijn af te wijken.
Het verzet is ongegrond.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van
D.A. Bohlmeijer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken
op 21 mei 2019.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer