Appellant, een openbaar accountant verbonden aan een accountantskantoor, voerde werkzaamheden uit voor een groep vennootschappen die een Italiaans restaurant en hotelappartementen exploiteerden. Er ontstonden betalingsproblemen en onenigheid over de opdrachtverlening en facturering van werkzaamheden.
De accountantskamer verklaarde klachten over excessieve declaraties en kwaliteit van dienstverlening ongegrond, maar oordeelde dat appellant onzorgvuldig had gehandeld door zonder schriftelijke opdracht te factureren aan een vennootschap waarvan de vermeende vertegenwoordiger niet bevoegd was en door het niet naleven van afspraken over facturering na 4 februari 2014. Dit leidde tot een waarschuwing.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had in de opdracht en dat de klachten niet-ontvankelijk moesten worden verklaard vanwege ontbinding van een vennootschap. Het College verwierp deze grieven en bevestigde dat appellant naliet zich te vergewissen van de opdrachtbevestiging en zorgvuldigheid te betrachten bij facturering.
Het College benadrukte dat het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid was geschonden en dat de waarschuwing passend en geboden was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.