ECLI:NL:CBB:2018:429

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 augustus 2018
Publicatiedatum
28 augustus 2018
Zaaknummer
18/1339
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid 6 MeststoffenwetArt. 23 lid 9 MeststoffenwetArt. 21b lid 1 MeststoffenwetArt. 72 Uitvoeringsbesluit MeststoffenwetArt. 6:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens lopend bezwaar over fosfaatrechtenverhoging

Appellante, een maatschap, had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar fosfaatrechten door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Zij had daarnaast een melding gedaan om haar fosfaatrecht te verhogen op grond van nieuw gestart bedrijf en bijzondere omstandigheden volgens de Meststoffenwet.

De minister besloot niet tijdig over deze melding, waarna appellante beroep instelde tegen het uitblijven van een beslissing. Het College oordeelde dat de melding en het verzoek tot verhoging onderdeel zijn van het lopende bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit over het fosfaatrecht.

Daarmee is de beslissing over de verhoging niet een zelfstandige beschikking maar onderdeel van één ondeelbaar fosfaatrecht. Omdat appellante geen beroep kon instellen tegen de lopende bezwaarprocedure, verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. R.C. Stam op 14 augustus 2018.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de melding onderdeel is van het lopende bezwaar.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/1339
16008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2018 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. C.L.G.M. van de Walle, mr. Kraki en mr. J.H. Eleveld).
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2018 heeft verweerder de fosfaatrechten van appellante vastgesteld op 5.551 kg. Daartegen heeft appellante bezwaar gemaakt (het bezwaar).
Op 30 maart 2018 c.q. 31 maart 2018 heeft appellante gevraagd haar fosfaatrecht te verhogen op grond van artikel 23, negende lid, dan wel artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet vanwege een nieuw gestart bedrijf en bijzondere omstandigheden (de melding).
Op 17 juli 2018 heeft appellante beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de melding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1
Appellante heeft, toen een beslissing over de melding uitbleef, verweerder bij brief van 15 juni 2018 in gebreke gesteld. Zij ziet de melding als een aanvraag tot de het nemen van een beschikking tot de verhoging van haar fosfaatrecht. Verweerder heeft op die aanvraag niet tijdig beslist en dat zou voor haar de weg openen om met toepassing van artikel 6:12, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep in te stellen.
1.2
Verweerder acht zich op grond van de uitspraak van het College van 2 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:136) gehouden om over de melding te beslissen in het (lopende) bezwaar.
2.1
Artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet verbiedt een melkveehouder in een kalenderjaar meer mest met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht (het mestproductieverbod). Op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet stelt verweerder het per 1 januari 2018 op een bedrijf rustende fosfaatrecht vast op basis van – kort gezegd – het op 2 juli 2015 op het bedrijf gehouden vee. Het fosfaatrecht bepaalt, gelet op die wetssystematiek, rechtstreeks de reikwijdte van het voor de veehouder geldende mestproductieverbod.
2.2
Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet verplicht verweerder onder zekere omstandigheden het fosfaatrecht te verhogen. De veehouder moet dan voor een bepaalde datum, melden en aantonen dat het fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen. Eén van de materiële toepassingsvoorwaarden voor deze verhoging is dat de veehouder bij verweerder een melding doet.
2.3
Artikel 23, negende lid, van de Meststoffenwet schrijft imperatief voor het fosfaatrecht (tot een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde omvang) per 1 januari 2018 te verhogen, indien kan worden vastgesteld dat het bedrijf behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur omschreven categorie van bedrijven. Daartoe behoort een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in artikel 72 van Pro Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat die verhoging plaats vindt op verzoek van de betrokken veehouder.
3.1
Naar het oordeel van het College maken het meldingsvereiste van artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet en de omstandigheid dat de toepassing van artikel 72 van Pro de Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet afhankelijk is van een daartoe strekkend verzoek, de beslissing over de verhoging niet tot een van de vaststelling van het fosfaatrecht losstaande beslissing. Het gaat uiteindelijk, bezien vanuit het perspectief van de rechtsgevolgen, om één (ondeelbaar) fosfaatrecht (en daarmee de reikwijdte van het mestproductieverbod) dat zich niet leent voor afzonderlijke vernietiging.
3.2
Nu de melding lopende het bezwaar is gedaan, betekent dit dat de toepassing van artikel 23, zesde lid en negende lid, van de Meststoffenwet deel uitmaakt van de besluitvorming op het bezwaar tegen dat besluit. Appellante beroept zich niet op de overschrijding van de voor die (verlengde) besluitvorming geldende beslistermijn en over die procedure hebben partijen onderling afspraken gemaakt. Dat betekent dat voor appellante (thans) geen beroep open staat. Het College zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam in aanwezigheid van mr. M.P.A. DeKoninck als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.
w.g. R.C. Stam w.g. M.P.A. DeKoninck