Appellante, een vennootschap onder firma, verzocht om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen voor 2015 op grond van het GLB. Verweerder kende de betalingen toe maar paste een korting toe op perceel 21 vanwege een vermeende onvoldoende hoeveelheid ingezaaid hennepzaad. Tevens werd de aanvraag voor een ecologisch aandachtsgebied op perceel 25 afgewezen omdat dit perceel niet als akkerrand kwalificeerde.
Appellante voerde aan dat zij voldoende zaaizaad had gebruikt en dat perceel 25 wel als akkerrand moest worden aangemerkt. Verweerder handhaafde zijn standpunt, waarbij hij het motief voor afwijzing van perceel 25 wijzigde en stelde dat de akkerrand breder dan 20 meter was.
Het College oordeelde dat verweerder terecht de oppervlakte voor perceel 21 had verlaagd vanwege het niet voldoen aan de certificerings- en etiketteringsvereisten voor het zaaizaad. Voor perceel 25 stelde het College vast dat verweerder zijn motivering wijzigde zonder voldoende onderbouwing, waardoor het besluit ten aanzien van perceel 25 vernietigd werd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep werd gegrond verklaard, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.