ECLI:NL:CBB:2018:280
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening fosfaatrechten wegens onvoldoende spoedeisend belang
De minister van Landbouw heeft op 5 januari 2018 het fosfaatrecht van verzoeker vastgesteld op 3.373 kilogram fosfaat, gebaseerd op de situatie van 2 juli 2015. Verzoeker maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om het fosfaatrecht te verhogen naar 5.507 kilogram, met het argument dat hij onomkeerbare investeringsverplichtingen heeft en bijzondere persoonlijke omstandigheden die hem verhinderden om voor de peildatum de groei van zijn bedrijf te realiseren.
Het College stelt vast dat de toetsing van het fosfaatrecht aan artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP) onderdeel uitmaakt van de bezwaarprocedure bij de minister. De voorlopige voorziening is bedoeld voor situaties met onverwijlde spoed, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de vraag of sprake is van een onevenredige last in de zin van het EP zich niet leent voor een oordeel in deze spoedprocedure.
Daarnaast biedt de gevraagde voorlopige voorziening geen zekerheid aan verzoeker, omdat de fosfaatproductie over een heel kalenderjaar wordt gemeten en na afloop van 2018 duidelijk zal zijn of het fosfaatrecht toereikend is. De voorlopige voorziening zou haar werking verliezen voordat het jaar is afgelopen.
De voorzieningenrechter concludeert dat de feiten en omstandigheden onvoldoende aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek af. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en ongeschiktheid van de spoedprocedure voor de beoordeling van de geschilpunten.