ECLI:NL:CBB:2018:256
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening fosfaatrechten wegens diergezondheidsproblemen
Verzoekster exploiteert een melkveebedrijf en had bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar fosfaatrecht voor 2018 was vastgesteld op 8.494 kilogram. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om zich te mogen gedragen alsof haar fosfaatrecht 12.240 kilogram bedroeg, vanwege vermeende diergezondheidsproblemen die haar fosfaatproductie zouden beperken.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster niet voldoende had aangetoond welk deel van het tekort aan fosfaatrecht toe te schrijven was aan de diergezondheidsproblemen. Dit zou in de bezwaarfase nader moeten worden uitgewerkt. Tevens werd vastgesteld dat de minister bij de beslissing op bezwaar moet toetsen of het fosfaatrecht in individuele gevallen niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name of sprake is van een disproportionele last.
De voorzieningenrechter zag geen reden om een voorlopige voorziening toe te kennen omdat de gevraagde maatregel geen garantie bood dat verzoekster gevrijwaard zou zijn van vervolging bij overschrijding van het fosfaatrecht. Bovendien zou de voorlopige voorziening haar werking verliezen vóór het einde van het jaar. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om een hoger fosfaatrecht toe te kennen is afgewezen.