ECLI:NL:CBB:2018:253
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening fosfaatrechten bij uitbreiding melkveebedrijf
De verzoeker, een melkveehouder die zijn bedrijf uitbreidde en een nieuwe stal bouwde, heeft fosfaatrechten toegekend gekregen die onvoldoende zijn voor zijn productiecapaciteit. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om extra fosfaatrechten te verkrijgen zodat hij zijn volledige capaciteit kon benutten.
De minister stelde het fosfaatrecht vast op basis van de Meststoffenwet en erkende dat hij niet tijdig had beslist op het verzoek om ontheffing. Een hoorzitting was gepland en een besluit zou spoedig volgen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor een voorlopige voorziening gericht op extra fosfaatrechten.
De rechter wees het verzoek af, maar veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker. Tevens werd vastgesteld dat de minister in het lopende bezwaar de verenigbaarheid van het fosfaatrecht met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moet betrekken, met name de proportionaliteit van de individuele last.
De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige besluitvorming en de mogelijkheid tot versnelde behandeling van bodemzaken, zonder dat een voorlopige voorziening wordt toegekend zonder duidelijke gronden.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening voor extra fosfaatrechten wordt afgewezen, minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.