Appellant, een landbouwer, had betalingsrechten aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 27, die door verweerder op nihil was vastgesteld. Het bezwaar werd ingediend na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken, waardoor het bezwaar niet tijdig was ingediend.
Het College beoordeelde ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Persoonlijke omstandigheden zoals het ziekbed en overlijden van de moeder van appellant en zijn eigen ziekte werden erkend, maar onvoldoende geacht om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Er was geen aannemelijk bewijs dat appellant niet in staat was maatregelen te treffen om tijdig bezwaar in te dienen.
Daarom had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het College vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waarbij deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellant.