Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2018:202

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 mei 2018
Publicatiedatum
24 mei 2018
Zaaknummer
17/221
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 22 WtraArt. 2 WtraArt. 52 Wet BIGArt. 23 Tuchtrechtbesluit BIG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening accountantstuchtzaak niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak van 31 oktober 2016, waarin zijn hoger beroepen tegen uitspraken van de accountantskamer ongegrond werden verklaard of alsnog ongegrond werden verklaard. De klachten betroffen accountants werkzaam bij het Bureau Financieel Toezicht.

Het CBb overwoog dat herziening van een onherroepelijke uitspraak slechts mogelijk is voor degene over wie een maatregel is opgelegd. Aangezien verzoeker oorspronkelijk klager is en geen maatregel aan hem is opgelegd, is het verzoek niet-ontvankelijk. Verzoeker stelde dat dit in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, maar het CBb oordeelde dat de accountantstuchtprocedure niet ziet op burgerlijke rechten of een strafrechtelijke aanklacht jegens de klager, zodat artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is.

Het verzoek is behandeld tijdens een zitting waarbij verzoeker is verschenen en de betrokken accountants zich lieten vertegenwoordigen. Het CBb handhaafde haar eerdere jurisprudentie en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De uitspraak werd op 22 mei 2018 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen maatregel aan verzoeker is opgelegd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 17/221
20150
Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2018 op het verzoek tot herziening van:

[naam 1] , te [plaats] , verzoeker.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft bij brief van 14 februari 2017 om herziening gevraagd van de uitspraak van het College van 31 oktober 2016 (zaaknummers 14/442, 14/513, 15/328 en 15/846; ECLI:NL:CBB:2016:341) op de door hem ingestelde hoger beroepen tegen de uitspraken van de accountantskamer van 28 mei 2014, 30 juni 2014, 23 maart 2015 en
25 september 2015.
2. Bij de uitspraak van 31 oktober 2016 waarvan verzoeker herziening heeft gevraagd heeft het College de hoger beroepen van verzoeker in de zaken 14/442, 14/513 en 15/328 ongegrond verklaard. In zaak 15/846 heeft het College het hoger beroep gegrond verklaard, de bestreden tuchtuitspraak vernietigd en, zelf voorziend, verzoekers klacht van 15 juni 2015 alsnog ongegrond verklaard.
3. Deze vier zaken betreffen klachten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) die verzoeker heeft ingediend tegen drie bij het Bureau Financieel Toezicht werkzame accountants, te weten [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (hierna: betrokkenen). Voor een uitgebreide weergave van de achtergrond van de klachten, het verloop van de procedure en de in die zaken van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst het College naar de uitspraak van 31 oktober 2016.
4. Verzoeker heeft de gronden van zijn verzoek om herziening bij brief van 13 maart 2017 aangevuld. Betrokkenen hebben bij brief van 30 maart 2017 een reactie op het verzoek gegeven. Verzoeker heeft daar bij brief van 18 april 2017 op gereageerd.
5. Het verzoek is behandeld ter zitting op 30 januari 2018.
Verzoeker is verschenen. Betrokkenen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde mr. W. van Eekhout.

Beoordeling van het verzoek

6. Het College heeft bij uitspraak van 21 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:71) geoordeeld dat de algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht meebrengen dat in bijzondere gevallen herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Ten aanzien van de omvang en de gronden voor toepassing van dit bijzondere rechtsmiddel heeft het College aansluiting gezocht bij de in artikel 52 van Pro de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en artikel 23 van Pro het Tuchtrechtbesluit BIG opgenomen regeling, die ook artikel 7.1 van het ambtelijk concept van de Kaderwet tuchtprocesrecht (2010) mede tot voorbeeld heeft gediend. Dit betekent, voor zover in dat geval van belang, dat slechts door degene over wie was geklaagd herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wtra is opgelegd.
7. Nu verzoeker oorspronkelijk klager is en bij de uitspraak van het College van
31 oktober 2016 geen maatregel is opgelegd, dient zijn herzieningsverzoek van 14 februari 2017 niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat het op deze gronden afwijzen van zijn herzieningsverzoek strijdig is met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het College dat het in dit artikel beschermde recht op een eerlijk proces een ieder toekomt voor zover het gaat om de vaststelling van zijn ‘civil rights and obligations’ of van een ‘criminal charge’ jegens hem. De accountantstuchtrechtelijke procedure ziet echter niet op de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de klagende partij en van een ‘criminal charge’ jegens de klager is geen sprake. Verder valt niet in te zien dat deze tuchtrechtelijke procedure niet aan uit artikel 6 van Pro het EVRM voortvloeiende vereisten voldoet indien in bijzondere gevallen
– naast de mogelijkheid voor de accountant om een ten onrechte aan hem opgelegde tuchtrechtelijke maatregel door de tuchtrechter ongedaan te laten maken – niet ook aan de klager de gelegenheid wordt geboden om een reeds in twee rechterlijke instanties als ongegrond beoordeelde klacht voor een derde maal aannemelijk te maken.

Beslissing

Het College verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.G.M. van Ede