Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaak tussen
Denka Registrations B.V., te Barneveld, appellante
Procesverloop
Overwegingen
reasonably foreseeable use’ van de Permanent-Spuitbus. Ook de aanname van verweerder dat het afvalwater op de riolering of, al dan niet rechtstreeks, op het oppervlaktewater zal worden geloosd, is niet juist. In dat verband wijst appellante erop dat uit artikel 3.127 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) volgt dat elke vorm van het lozen van reinigingswater uit dierenverblijven op het vuilwaterriool niet is toegestaan, met uitzondering van lozingen waarbij het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer dan 300 milligram per liter bedraagt. Het standpunt van verweerder dat er voor niet-professionele gebruikers geen wettelijke verplichtingen gelden om afvoer van afvalwater naar de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen, is daarom niet juist. Uit artikel 3.129, derde lid, van het Activiteitenbesluit volgt voorts dat het lozen van afvalwater op of in de bodem wel is toegestaan. Om te voldoen aan de norm van 300 milligram per liter aan onopgeloste bestanddelen is in vrijwel alle gevallen een slibvangput noodzakelijk. Vanwege de matige oplosbaarheid van permethrin in water en de sterke binding aan bijvoorbeeld zand en mestresten blijven afgespoelde middelresten achter in de slibvangput van het dierenverblijf. Deze resten komen dan niet in het riool terecht. Naar aanleiding van door verweerder geuite zorgen heeft appellante het WG/GA bovendien aangevuld met waarschuwingszinnen ter voorkoming van onjuist gebruik van de Permanent-Spuitbus. Hiermee wordt volgens appellante afdoende gegarandeerd dat permethrin niet in het oppervlaktewater terecht zal komen. Verweerder heeft dit miskend en weigert deze waarschuwingszinnen te betrekken in zijn risicobeoordeling, terwijl verweerder dergelijke waarschuwingszinnen wel heeft betrokken bij de beoordeling van de producten Tectonik Pour-on en Ecobuster.
kanhebben op het milieu en verweerder ook ter zake hiervan een beoordelingsmarge toekomt. Tegenover deze aannames heeft appellante in het rapport van ENVIRON andere aannames gesteld, te weten dat wanden, vensters en plafonds in de regel slechts met grote tussenpozen worden gereinigd en dat afvalwater van de reiniging in het algemeen óf op het erf wordt geloosd of wordt afgevoerd met de mest. Naar het oordeel van het College zijn deze aannames in het rapport met onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat verweerder daaraan terecht voorbij is gegaan. Gezien het algemene karakter van deze aannames van appellante acht het College de enkele verwijzing in het rapport van ENVIRON naar onderdelen van de site www.levendehave.nl als onderbouwing ontoereikend. Voorts is het College niet gebleken van een wettelijke verplichting waaruit volgt dat het lozen van afvalwater uit dierenverblijven op het riool niet is toegestaan, of op grond waarvan verplichtingen worden gesteld die afvoer van afvalwater naar de bodem en het oppervlakte moeten voorkomen, zoals appellante in beroep heeft gesteld. De wettelijke bepalingen waarnaar appellante heeft verwezen zijn van toepassing op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer en, gelet op de definitie van het begrip inrichting in die wet, niet op alle niet-professionele gebruikers. Bedoelde stellingen van appellante doen derhalve geen afbreuk aan vorengenoemde tweede aanname van verweerder, zodat de betreffende beroepsgrond niet slaagt.