Appellant, een openbaar accountant-administratieconsulent, verleende administratieve diensten aan een groep bedrijven waaronder [naam 2] B.V. en [naam 6] B.V. In het kader van een aandelenoverdracht ontstond discussie over een factuur van €100.000 exclusief BTW, die werd aangeduid als een 'speciale factuur' en later gewijzigd in 'afrekening vergoeding kennis (intellectueel eigendom) en licenties'.
De accountantskamer stelde vast dat appellant onvoldoende onderzoek deed naar de aard en onderbouwing van deze factuur, die door partijen als fiscaal gunstig werd gepresenteerd maar feitelijk een dubieuze constructie betrof. Appellant had geen passende maatregelen genomen om de bedreiging voor naleving van fundamentele beginselen zoals integriteit en zorgvuldigheid weg te nemen, en had nagelaten de onjuistheid van de factuur aan te vechten of zich ervan te distantiëren.
Hoewel appellant aanvoerde dat de Belastingdienst akkoord was gegaan met de fiscale behandeling van de factuur, oordeelde het College dat dit de verplichtingen van appellant niet ontneemt, zeker omdat de Belastingdienst niet beschikte over alle relevante informatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de berisping gehandhaafd.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en integriteit bij accountants, vooral bij het omgaan met onduidelijke of potentieel misleidende financiële constructies, en bevestigt dat het niet treffen van adequate maatregelen kan leiden tot disciplinaire sancties.