Verzoeker, een taxichauffeur met een Taxxxivergunning en lijnbusbaanontheffing, kreeg zijn lijnbusbaanontheffing geschorst en zijn Taxxxiraamkaart ingenomen. Verweerder trok vervolgens de Taxxxivergunning in wegens het aanbieden van taxivervoer zonder geldige vergunning. Verzoeker betwistte het aanbieden van taxivervoer en stelde dat zijn vergunning niet geschorst was omdat geen besluit tot schorsing was genomen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker op een illegale standplaats tien minuten met zijn taxi had stilgestaan en taxivervoer aanbood, wat werd onderbouwd door rapporten van toezichthouders. Echter, de schorsing van de lijnbusbaanontheffing leidde niet automatisch tot schorsing van de Taxxxivergunning, omdat geen besluit tot schorsing van die vergunning was genomen. Hierdoor was de intrekking van de vergunning onrechtmatig.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand, omdat ook het aanbieden van taxivervoer zonder geldige lijnbusbaanontheffing een grond voor intrekking is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.