ECLI:NL:CBB:2017:189

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 mei 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
16/66
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:31c AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:89 AwbWet Dieren
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij verzoek schadevergoeding boven €25.000 na herroeping bestuursdwangbesluit

Bij besluit van 24 augustus 2015 legde de staatssecretaris van Economische Zaken aan appellant een last onder bestuursdwang op wegens overtredingen van de Wet Dieren. Na bezwaar wijzigde de staatssecretaris de motivering maar handhaafde de last onder bestuursdwang. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens werden herstelmaatregelen uitgevoerd en werden de kosten vastgesteld op €8.112,36. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en het bestuursorgaan herroept uiteindelijk het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit.

Het College oordeelde dat de herroeping van de besluiten betekent dat appellant onvoldoende belang heeft bij verdere beoordeling van het herroepingsbesluit. Wel bleef appellant belang houden bij het beroep tegen het oorspronkelijke besluit en het kostenbesluit, omdat hij schade stelde te hebben geleden door de besluitvorming. Het College stelde vast dat de besluiten onrechtmatig waren en vernietigde deze.

Appellant verzocht vervolgens om vergoeding van de door hem geleden schade. De staatssecretaris was bereid tot vergoeding en overleg, maar appellant reageerde niet op pogingen tot contact. Het College is bevoegd om schadevergoeding toe te kennen tot maximaal €25.000. Omdat appellant de schade begrootte op €34.580, verklaarde het College zich onbevoegd om het verzoek te behandelen. Het griffierecht werd aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het College vernietigt het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit, maar verklaart zich onbevoegd om het schadevergoedingsverzoek boven €25.000 te behandelen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/66
11351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2017 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2015 (bestuursdwangbesluit) heeft verweerder aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtredingen van de Wet Dieren.
Bij besluit van 18 december 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, de motivering gewijzigd, maar de last onder bestuursdwang gehandhaafd.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Nadat verweerder zelf herstelmaatregelen heeft laten uitvoeren heeft hij bij besluit van 26 april 2016 (kostenbesluit) de kosten van de bestuursdwang vastgesteld op € 8.112,36.
Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar is door verweerder aan het College doorgestuurd.
Bij besluit van 27 oktober 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit herroepen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2017. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het kostenbesluit.
2. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit herroepen. Op basis van het naar aanleiding van de beroepsgronden verrichte onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat er onvoldoende basis is voor het opleggen van de last onder bestuursdwang, en dat deze last daarom ten onrechte is opgelegd en dat de in verband daarmee gemaakte kosten redelijkerwijs niet op appellant verhaald kunnen worden.
3. Uit de bewoordingen van het bestreden besluit 2 leidt het College af dat dit besluit strekt tot intrekking en vervanging van het bestreden besluit 1 en het bij deze beroepsprocedure betrokken kostenbesluit. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
4. Nu verweerder bij het bestreden besluit 2 het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit heeft herroepen heeft appellant onvoldoende belang bij een beoordeling van besluit 2, zodat het College dit besluit verder buiten beschouwing laat.
5. Ondanks dat besluit 1 is ingetrokken en het bestuursdwangbesluit en het kostenbesluit door verweerder zijn herroepen heeft appellant nog wel belang behouden bij een beoordeling van het beroep tegen deze besluiten, nu hij stelt door de besluitvorming schade te hebben geleden.
6. Door de intrekking van besluit 1 en het herroepen van het dwangsombesluit en het kostenbesluit is de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven. Het beroep tegen besluit 1 en het bij het beroep betrokken kostenbesluit is dan ook gegrond. Het College zal deze besluiten daarom vernietigen
7.1
Ter beoordeling staat verder het verzoek van appellante om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de door hem geleden schade ten gevolge van het dwangsombesluit en het kostenbesluit, die, zoals hiervoor is vastgesteld, onrechtmatig zijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder bij brief van 16 januari 2017 meegedeeld bereid te zijn om de eventueel uit de herroepen besluiten voortvloeiende schade te vergoeden en daarover in overleg met appellant te gaan. Op de zitting heeft verweerder meegedeeld dat hij geprobeerd heeft telefonisch contact op te nemen met appellant, maar dat dat niet is gelukt, en dat appellant ook niet gereageerd heeft op zijn schriftelijke verzoek.
7.2
Op grond van artikel 8:88, eerste lid , onder a, van de Awb is het College bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende leidt ten gevolge van een onrechtmatig besluit. Op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb is het College slechts bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,00 bedraagt.
7.3
Het College is er aanvankelijk van uit gegaan dat de hoogte van de door appellant ten gevolge van het dwangsombesluit en het kostenbesluit geleden schade € 13.850,00 bedroeg, zijnde de opbrengst van de door verweerder verkochte runderen van appellant. In de week voor de zitting heeft appellant de schade onderbouwd en begroot op een bedrag van € 34.580,00. Nu de gevraagde vergoeding meer dan € 25.000,00 bedraagt, is het College niet bevoegd om het schadevergoedingsverzoek te beoordelen. Het College verklaart zich daarom onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.
6. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 en het kostenbesluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit 1 en het kostenbesluit;
  • verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan appellant te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.B. van Zantvoort