ECLI:NL:CBB:2017:136

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
10 mei 2017
Zaaknummer
15/558
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011Verordening (EG) nr. 1234/2007
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens verhindering controle en nihilstelling bijdrage in fruitteelt

Fruitteeltbedrijf appellante kreeg toestemming om 2,2 hectare appels groen te oogsten. De staatssecretaris voerde een controle uit die appellante weigerde, waardoor de bijdrage op nihil werd gesteld. Appellante stelde dat zij dacht dat de controle optioneel was en bood later alsnog medewerking aan.

Het College oordeelde dat appellante de controle daadwerkelijk heeft verhinderd door een gemaakte afspraak af te zeggen en dat zij het verplichte karakter van de controle begreep of had moeten begrijpen. Indien twijfel bestond, had appellante dit bij de staatssecretaris moeten navragen.

Op grond van artikel 122 van Pro Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 is bij verhindering van controle de aanvraag af te wijzen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van Fruitteeltbedrijf wordt ongegrond verklaard wegens verhindering van de verplichte controle.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/558
5169

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2017 in de zaak tussen

Fruitteeltbedrijf [naam 1] v.o.f., te [plaats] , appellante

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijdrage aan appellante op grond van de Uitvoeringsregeling bijzondere Europese maatregelen inzake Russische boycot groenten en fruit (de Regeling) op nihil gesteld.
Bij besluit van 11 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2017. Voor appellante zijn [naam 2] en [naam 3] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 13 januari 2015 heeft verweerder appellante toestemming gegeven 2,2 ha appelen groen te oogsten.
2. Verweerder heeft opdracht gegeven een controle bij appellante uit te voeren. De inspecteur [naam 4] heeft een bedrijfscontrolerapport opgemaakt gedateerd 20 februari 2015. Blijkens dat rapport weigert appellante medewerking aan de controle. Verweerder heeft de bijdrage op grond van de Regeling op nihil gesteld, omdat appellante de controle heeft verhinderd.
3. Appellante betoogt dat zij de controle heeft geweigerd, omdat zij uit de telefoongesprekken met [naam 4] begreep dat de controle optioneel was. Appellante heeft later aangeboden de controle alsnog te laten uitvoeren.
4. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het College van oordeel dat appellante de controle heeft verhinderd. In het eerste telefoongesprek tussen [naam 4] en appellante is een afspraak gemaakt om de controle te verrichten. Appellant heeft [naam 4] de volgende dag teruggebeld en die afspraak afgezegd. Het College heeft geen reden om aan te nemen dat [naam 4] appellante onjuist heeft ingelicht over het verplichte karakter van de controle en houdt het er voor dat appellante het verplichte karakter van de controle heeft begrepen of had moeten begrijpen. Als bij appellante al twijfel is ontstaan over het verplichte karakter van de controle had het op haar weg gelegen om daarnaar gericht bij verweerder te informeren. Appellante heeft dit nagelaten. Op het moment dat appellante de gemaakte afspraak had afgezegd, is komen vast te staan dat zij de controle heeft verhinderd. Dat appellante zich in de bezwaarfase alsnog bereid heeft verklaard om de controle te laten uitvoeren, is in dit verband niet relevant. Op grond van artikel 122 van Pro Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft, is verweerder verplicht bij een verhindering van een controle ter plaatse de aanvraag af te wijzen.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. M.J. Boon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.
w.g. R.C. Stam w.g. M.J. Boon