Appellante werd bij besluit van 18 april 2012 een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van een koper-zilverionisatie-installatie in haar drinkwaterinstallatie zonder de vereiste toelating. De dwangsom bedroeg € 1.000,- per vier weken met een maximum van € 10.000,-. Na het verstrijken van de termijnen werd de maximale dwangsom opgelegd en geïnd.
Appellante stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van verhoogd risico en haar zorgplicht voor patiënten, reden zouden moeten zijn om af te zien van invordering. Verweerder stelde dat deze argumenten al bij het primaire besluit aan de orde hadden moeten komen en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd.
Het College oordeelde dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom rechtmatig en onaantastbaar is, dat appellante niet tijdig aan de last heeft voldaan en dat invordering van de dwangsom in beginsel verplicht is. De door appellante aangevoerde omstandigheden betreffen de rechtmatigheid van de last en zijn geen bijzondere omstandigheden die invordering kunnen verhinderen.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees het verzoek tot afzien van invordering af. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.