ECLI:NL:CBB:2016:418

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 december 2016
Publicatiedatum
10 januari 2017
Zaaknummer
15/638
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening (EG) nr. 21/2004Art. 8 Regeling identificatie en registratie van dierenArt. 12 Regeling identificatie en registratie van dierenArt. 23 Verordening (EG) nr. 73/2009Art. 24 Verordening (EG) nr. 73/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging randvoorwaardenkorting voor niet-oormerken schapen in 2014

Appellant heeft voor het jaar 2014 rechtstreekse betalingen aangevraagd, waarbij bij controle door de NVWA is vastgesteld dat twee schapen ouder dan zes maanden geen oormerken droegen. Verweerder stelde daarop een randvoorwaardenkorting van 3% vast op de rechtstreekse betalingen vanwege niet-naleving van de oormerkplicht.

Appellant voerde aan dat fouten mogelijk moeten zijn en dat het onredelijk is direct een korting toe te passen, aangezien hij geen financieel gewin had bij de overtreding. Verweerder handhaafde de korting, waarbij later werd medegedeeld dat de korting voor het niet-tijdig doorgeven van mutaties aan het I&R-systeem niet langer wordt gehandhaafd.

Het College oordeelde dat het ontbreken van oormerken geen geval van gering belang betreft en dat verweerder op grond van de relevante EU-verordeningen verplicht was de korting van 3% vast te stellen. Een beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de wetgever een gedifferentieerd sanctiestelsel heeft opgenomen. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de randvoorwaardenkorting van 3% wegens het niet oormerken van schapen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/638
5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en mr. A.C. Clemens).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 3% voor alle door appellant voor het jaar 2014 te ontvangen rechtstreekse betalingen in verband met de niet-naleving van de verplichting om schapen te oormerken en om mutaties tijdig aan het I&R-systeem te melden.
Bij besluit van 7 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 oktober 2016 heeft verweerder medegedeeld dat de randvoorwaardenkorting voor het niet-tijdig doorgeven van mutaties aan het I&R-systeem niet langer wordt gehandhaafd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016. Appellant is niet verschenen ter zitting. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Gelet op de mededeling van verweerder in zijn brief van 26 oktober 2016 is nog in geschil of verweerder terecht een randvoorwaardenkorting van 3% heeft vastgesteld voor alle door appellant voor het jaar 2014 te ontvangen rechtstreekse betalingen vanwege de niet-naleving van de verplichting om een schaap oormerken te laten dragen.
2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten voor het College komen vast te staan.
2.1
Appellant heeft voor het jaar 2014 rechtstreekse betalingen aangevraagd.
2.2
Op 13 december 2014 heeft een controle plaatsgevonden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op het bedrijf van appellant. Volgens het van de controle opgemaakte rapport is hierbij geconstateerd dat twee schapen ouder dan zes maanden geen oormerken droegen.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder op grond van deze bevindingen een randvoorwaardenkorting opgelegd van 3% in verband met de niet-naleving van de verplichting alleen toegelaten identificatiemiddelen voor schapen en geiten te gebruiken en deze te verkrijgen zoals toegestaan en de schapen en geiten binnen een bepaalde termijn te voorzien van deze identificatiemiddelen als bedoeld in artikel 4, eerste en vierde lid, van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (Verordening 21/2004) in samenhang met de artikelen 8, vijfde lid, en 12, 12e, en 12f, van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze randvoorwaarden-korting gehandhaafd.
4.1
Op grond van artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009) wordt, indien de landbouwer de beheerseisen niet naleeft ten gevolge van een handelen of nalaten dat rechtstreeks aan de landbouwer kan worden toegeschreven, het totaalbedrag van de betalingen die in het kalenderjaar waarin de niet-naleving plaatsvindt verlaagd of ingetrokken.
4.2
Artikel 71, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) bepaalt dat de toe te passen korting in de regel 3% bedraagt. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot 1% of te verhogen tot 5% van het bovenbedoelde totale bedrag.
5. Appellant erkent dat de betreffende schapen niet waren geoormerkt ten tijde van de controle terwijl dat wel zo had moeten zijn. Hij voert aan dat het mogelijk moet zijn om fouten te maken. Verweerder mag immers zelf wel fouten maken. Dat er direct een korting wordt vastgesteld is onredelijk. Appellant heeft geen geldelijk gewin van de gemaakte fout. Het houden van schapen kost alleen maar geld.
6.1
Het College overweegt als volgt. Vast staat dat twee schapen op het bedrijf van appellant niet beschikten over de vereiste oormerken en dat appellant hiermee de genoemde randvoorwaarde niet heeft nageleefd. Anders dan appellant stelt staat het verweerder niet zonder meer vrij om af te zien van het vaststellen van de randvoorwaardenkorting. Verweerder is op grond van het hiervoor genoemde artikel 23 van Pro Verordening 73/2009 in beginsel gehouden om voor de geconstateerde niet-naleving van de oormerkplicht een korting vast te stellen.
6.2
Uitzondering hierop is mogelijk in een geval van een niet-naleving van gering belang als bedoeld in artikel 24, tweede lid, tweede alinea, van Verordening 73/2009. Gevallen die een rechtstreeks gevaar voor de volksgezondheid of de gezondheid van dieren vormen, worden op grond van deze bepaling echter niet als van gering belang beschouwd. Zoals verweerder heeft betoogd is één van de doelen van het identificeren en registeren van dieren dat de dieren traceerbaar zijn en is dit onder meer van belang in geval van een besmettelijke ziekte om verdere verspreiding te voorkomen. Het volledig ontbreken van oormerken leidt ertoe dat de dieren niet identificeerbaar zijn, ook niet op andere wijze.
Gelet hierop volgt het College verweerder in diens opvatting dat het ontbreken van twee oormerken geen geval van gering belang als hiervoor bedoeld betreft. Dit betekent dat verweerder niet van het vaststellen van de randvoorwaardenkorting kon afzien. In het Rapport Nalevingsspecificatie is de overtreding als standaard aangemerkt. Voor zover appellant betoogt dat de korting lager had moeten worden vastgesteld, heeft verweerder hiervoor dan ook terecht geen aanleiding gezien in het controlerapport. Dit betekent dat voor verweerder geen grond bestond om de korting lager vast te stellen dan 3%.
7. Zoals verweerder terecht stelt kan een beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slagen. De belangenafweging die in dit verband dient plaats te vinden wordt op grond van het eerste lid van artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht beperkt voor zover het besluit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift. Op grond van de artikelen 23 en 71, eerste lid, van Verordening 1122/2009 is – zoals reeds uiteengezet onder 6.1 en 6.2 van deze uitspraak –verweerder gehouden in dit geval een randvoorwaardenkorting van 3% vast te stellen. Daarbij is bovendien in zekere zin rekening gehouden met de evenredigheid doordat is bepaald dat het betaalorgaan op basis van de beoordeling die de bevoegde controleautoriteit in het controleverslag heeft gegeven, kan besluiten om het percentage van de randvoorwaarden-korting te verhogen naar 5% of te verlagen tot 1%.
Het gedifferentieerde sanctiestelsel kan mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder te noemen: het Hof) van 17 juli 1997 in zaak C-354/95, Jur. Bladzijde I-4559, (National Farmers’ Union), niet in strijd worden geacht met het evenredigheidsbeginsel.
8. De conclusie is dat verweerder hiervoor terecht de hier in geschil zijnde randvoorwaardenkorting heeft vastgesteld.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016.
w.g. H.B. van Gijn w.g. C.M. Leliveld