Verzoekster, een onderneming, verzocht om toestemming om partijen vlees, officieel in bewaring genomen vanwege onduidelijkheid over herkomst en traceerbaarheid, te bestemmen voor vervoedering aan pelsdieren binnen Nederland. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Economische Zaken afgewezen omdat de afvoer van dit vlees alleen binnen Nederland is toegestaan ter bescherming van volksgezondheid en diergezondheid.
Verzoekster stelde dat zij een spoedeisend belang had vanwege de hoge opslagkosten en de dreiging van vernietiging van het vlees, wat aanzienlijke financiële schade zou veroorzaken. Tevens wees zij op de bereidheid van twee bedrijven om het vlees te verwerken, hoewel deze afzetmogelijkheden tijdelijk zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het financiële belang van verzoekster onvoldoende was om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen, aangezien geen sprake was van een onomkeerbaar belang of dreigend faillissement. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de afzetmogelijkheden zouden vervallen voordat een definitief besluit zou worden genomen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.