Appellante stelde in hoger beroep dat accountant [naam 2] ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld bij het opstellen van een deskundigenrapport over de economische waarde van aandelen, onder meer door het niet toepassen van hoor en wederhoor, onzorgvuldige waarderingsmethodiek en partijdigheid ten gunste van [naam 8]. Tevens werd [naam 3], compliance officer, verweten tekort te zijn geschoten in kwaliteitsbeheersing.
Het College van Beroep oordeelde dat de accountantskamer terecht had geoordeeld dat [naam 2] weliswaar tekort was geschoten in deskundigheid, zorgvuldigheid en objectiviteit, maar dat onvoldoende bewijs bestond voor opzettelijk handelen of samenspanning met [naam 8]. Ook de klacht tegen [naam 3] werd ongegrond verklaard wegens gebrek aan onderbouwing van een tekortschietend kwaliteitsstelsel.
Verder verwierp het College de stelling dat de accountantskamer onvoldoende onderzoek had gedaan of informatie had moeten opvragen. Het College bevestigde dat het aan klager is om feiten te stellen en aannemelijk te maken. De opgelegde maatregel van berisping werd passend geacht gezien de ernst van de tekortkomingen, maar een zwaardere maatregel werd niet opgelegd.
Het hoger beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de berisping gehandhaafd. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en objectiviteit bij gerechtelijke deskundigen en bevestigt de terughoudendheid van tuchtrechters bij het opleggen van zwaardere sancties zonder overtuigend bewijs van opzet.