ECLI:NL:CBB:2016:208
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking chauffeurskaart wegens niet overleggen nieuwe verklaring omtrent gedrag
Appellant beschikte over een chauffeurskaart die geldig was tot november 2016. Na een melding van de Inspectie Leefomgeving en Transport dat appellant recentelijk met justitie in aanraking was gekomen, verzocht verweerder appellant om binnen vier weken een nieuwe verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen. Appellant reageerde niet tijdig en overhandigde geen nieuwe VOG, waarop verweerder de chauffeurskaart introk.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij een VOG had aangevraagd en dat de straf opgelegd door de strafrechter niet ernstig genoeg was om de kaart in te trekken. Tevens stelde hij dat de procedure onzorgvuldig was, onder meer vanwege een te korte termijn voor het indienen van een zienswijze en het ontbreken van een hoorzitting.
Het College oordeelde dat de termijn van vier weken voor het overleggen van een nieuwe VOG niet te kort was en dat artikel 13 Bp2000 niet van toepassing was op deze intrekking. Ook was het terecht dat geen hoorzitting plaatsvond omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De regelgeving liet geen ruimte voor een belangenafweging of schorsing van de kaart. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de chauffeurskaart wordt ongegrond verklaard.