De Nederlandse Zorgautoriteit stelde met de tariefbeschikking TB/CU-7089-01 de tarieven voor huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg vast per 1 januari 2015, inclusief een contractvereiste voor het declareren van bepaalde prestaties. Appellanten voerden aan dat dit contractvereiste onredelijk is en leidt tot substantiële omzetvermindering, vooral voor kleinschalige huisartsen die continuïteit bieden.
Het College oordeelde dat het contractvereiste in strijd is met de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Zorgverzekeringswet (Zvw), omdat het huisartsen zonder contract verhindert de juiste tarieven te declareren, terwijl zij wel verplicht zijn zorg te leveren. Het contractvereiste frustreert de werking van artikelen 11 en 13 Zvw, die verzekerden recht geven op zorg en vergoeding.
Het College stelde vast dat het contractvereiste niet in de weg staat aan de vrije artsenkeuze, maar dat het onredelijk is huisartsen te dwingen zorg zonder vergoeding te leveren. Het vestigingsvereiste voor passantentarieven werd deels aanvaard, maar het contractvereiste daarvoor werd niet voldoende gemotiveerd en daarom verworpen.
Het bestreden besluit werd vernietigd en de Nederlandse Zorgautoriteit opgedragen binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen dat rekening houdt met deze uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar het betaalde griffierecht werd aan appellanten vergoed.