Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
,
[naam 3] RA, betrokkene,
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten stelden dat betrokkene, een openbaar accountant, tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld in verband met de verkoop van aandelen in een dochteronderneming en de toepassing van een btw-vrijstelling volgens een specifiek besluit. Betrokkene zou onvoldoende professioneel hebben begeleid, niet tijdig fiscale eenheid hebben aangevraagd, en informatie over btw-teruggaaf niet tijdig hebben gemeld.
De accountantskamer had de klacht grotendeels ongegrond verklaard en een zesde klachtonderdeel niet-ontvankelijk. In hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. Het College overwoog dat het Besluit betreffende btw-vrijstelling specifieke fiscale kennis vereist die niet van een algemeen accountant kan worden verwacht. De fiscale werkzaamheden waren bovendien uitbesteed aan een belastingadviseur die appellanten direct adviseerde.
Verder was betrokkene wegens ziekte afwezig tijdens de definitieve verkoop en onvoldoende aannemelijk betrokken bij de vermeende tekortkomingen. De verzoeken om toevoeging aan de fiscale eenheid en suppletieaangifte werden volgens het College correct en tijdig afgehandeld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de accountant wordt niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk gehouden.