Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2015 in de zaak tussen
Tess B.V., handelend onder de naam Taskforce Europe, te Den Haag, appellante
Procesverloop
Overwegingen
- Met betrekking tot de kosten van stagiaires is verweerder, anders dan appellante meent, niet steeds uitgegaan van de laagst mogelijke stagevergoeding. Naar ter zitting is gebleken is verweerder uitgegaan van de met de verschillende stagiaires overeengekomen stagevergoeding die is vermeld in de door appellante overgelegde stukken. Slechts in een paar gevallen waarin de met een stagiaire overeengekomen vergoeding niet uit de stukken kan worden afgeleid, heeft verweerder de stagevergoeding vastgesteld op de laagste vergoeding die wel in de stukken is vermeld.
- Met betrekking tot de post externe medewerkers heeft verweerder alleen de kosten in aanmerking genomen waarvan niet alleen facturen, maar ook betaalbewijzen aanwezig waren. Het College acht dat niet onredelijk.
- Met betrekking tot de door appellante opgegeven kosten van managementvergoeding heeft verweerder geen kosten in aanmerking genomen waarvan geen facturen aanwezig waren. Volgens appellante is aldus ten onrechte geen rekening gehouden met een bedrag van ruim € 22.000,- aan voorgeschoten kosten van bijvoorbeeld reiskosten, autokosten en benzinekosten. Volgens appellante blijken deze kosten niet uit facturen maar uit de kas of de boekhouding. Verweerder heeft hierover ter zitting verklaard dat hij deze kosten, voor zover hij ze in de stukken is tegengekomen, apart heeft beoordeeld. Dit is door appellante niet betwist. Gegeven de staat van appellante’s administratie acht het College deze handelswijze van verweerder aanvaardbaar.
- Met betrekking tot de loonkosten is verweerder op verzoek van appellante van een vast uurtarief van € 35,- uitgegaan. Verweerder heeft het bedrag aan loonkosten berekend door het totaal van alle uren die door alle medewerkers zijn gewerkt te vermenigvuldigen met dit uurtarief en de uitkomst af te toppen tot bedrag dat appellante daadwerkelijk in totaal aan loonkosten – zoals dat uit de stukken blijkt – heeft betaald. Daarbij heeft verweerder geen overheadkosten in aanmerking genomen omdat deze gelijk zijn aan de kosten die door appellante afzonderlijk zijn opgevoerd als ‘kantoorkosten’, ‘kosten derden’, ‘materialen en hulpmiddelen’ en ‘machines en apparatuur’. Het College acht deze benadering van verweerder niet onjuist.
- Met betrekking tot de kosten, bestaande uit bedragen die appellante heeft betaald aan Zwijger Security , heeft verweerder in zijn verweerschrift nader uiteengezet waarom hij daarop een bedrag aan BTW, als wel gemaakte maar niet subsidiabele kosten, in mindering heeft gebracht. Dat verweer, er in het kort op neerkomend dat de betalingen van appellante aan Zwijger Security niet als netto betalingen kunnen worden gezien, omdat hoofdaanvragers als zij over en weer BTW in rekening brengen geen subsidiabele kosten genereren, houdt stand.
- Met betrekking tot de opbrengsten is verweerder uitgegaan van het bedrag dat door appellante is vermeld in de bijlage bij haar vaststellingsverzoek en niet van het lagere bedrag dat door appellante vervolgens in de bezwaarprocedure is genoemd. De door appellante gestelde lagere opbrengsten houden verband met kosten die appellante in 2012 heeft gemaakt. Dienaangaande oordeelt het College dat appellante op 28 juni 2012 haar aanvraag tot vaststelling heeft ingediend. Daarbij heeft zij, blijkens aankruising van het daartoe bestemde vak op het formulier, een eindverslag gevoegd. In de hiervoor onder 2.2 reeds aangehaalde toelichting, zoals appellante die bij haar brief van 31 januari 2013 heeft gegeven, stelt zij uitdrukkelijk dat zij met betrekking tot de gedeclareerde loonkosten heeft besloten het gesubsidieerde deel van het project, een kwartaal eerder (31 december 2011) af te ronden dan de geplande einddatum. Gelet hierop mocht verweerder, zoals hij heeft gedaan, er bij het vaststellen van de subsidie van uitgaan dat het project op 31 december 2011 was afgerond. Voor zover appellante haar stellingen kracht heeft willen bijzetten door te wijzen op kosten die zij nadien nog heeft gemaakt mocht verweerder die reeds hierom buiten beschouwing laten. Dat ook na 31 december 2011 nog een groot aantal uren aan het project zou zijn gewerkt maakt niet dat verweerder deze, in omstandigheden als hier aan de orde, niettemin toch in zijn beschouwingen had moeten betrekken. Het door appellante op dit punt ontwikkelde betoog slaagt derhalve niet.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2013 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover betrekking hebbend op de terugvordering;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt.