Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
27810
[naam 1], te Rotterdam
[naam 3], te Utrecht
hierna ook: appellanten,
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
Procesverloop
[naam 4]. Verweerder was niet vertegenwoordigd.
Bij brief van 11 juli 2014 heeft verweerder deze vragen beantwoord.
Overwegingen
5. Indien in deze regeling is bepaald dat loonkosten of kosten voor eigen arbeid in aanmerking komen voor een subsidie:
(…)
(…)
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
Steun voor het oordeel dat overheadkosten geen onderdeel uitmaken van de subsidiabele loonkosten vindt het College, behalve in de letterlijke tekst van artikel 1:15, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Regeling, ook in artikel 4:25, aanhef en onder g, van de Regeling. In laatstgenoemd artikel worden immers loonkosten onderscheiden van als overhead te beschouwen kosten en worden beide kostensoorten afzonderlijk (in beginsel) subsidiabel geacht. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van het College uit dat in de loonkosten als zodanig geen overheadkosten zijn opgenomen.
- Bij verantwoording van de gemaakte kosten dienen alle kosten inzichtelijk te zijn (inclusief de gehanteerde uurtarieven).
- Denkt u er daarbij ook aan dat wordt uitgegaan van de uurtarieven die zijn gebaseerd op de normbedragen per salarisschaal volgens de Handleiding Overheidstarieven 2008. De werkelijke salariskosten van de betrokken medewerkers dienen daarbij als uitganspunt om de loonschaal te bepalen. Er dient gebruik gemaakt te worden van het kosten-plus tarief exclusief btw.”
2 december 2013 gevoegde overzichten in beide gevallen uit van een aantal van 1.102 gewerkte uren – als wel in een verlaging (en in bepaalde gevallen een verhoging) van het aan die gewerkte uren door verweerder toegerekende bedrag aan loonkosten. Nu iedere motivering voor deze verlaging dan wel verhoging ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of verweerder het aan [naam 3] toegekende bedrag aan loonkosten in de beroepsfase mocht verlagen zonder in strijd te handelen met het verbod van reformatio in peius. Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd
Beslissing
- draagt verweerder op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen in plaats van het besluit van 2 december 2013, zulks met inachtneming van deze uitspraak, en
- het vervangende besluit aan het College toe te zenden;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.