Appellante, een landbouwmaatschap, kreeg op 3 april 2013 een besluit van de staatssecretaris van Economische Zaken waarbij haar aanvragen voor rechtstreekse betalingen, waaronder de bedrijfstoeslag, werden afgewezen wegens het verhinderen van een bedrijfscontrole. Op 27 november 2012 bezocht een controleur van het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) het bedrijf voor een onaangekondigde controle. Eén van de maten, tevens vennoot, weigerde medewerking vanwege een lopende reparatie aan een kuilvoersnijder en verzocht om een afspraak. De controleur vertrok zonder controle uit te voeren.
Appellante stelde dat zij bereid was mee te werken aan een aangekondigde controle en dat het doel van de controle niet in gevaar kwam. Verweerder stelde dat de weigering onterecht was, omdat de reparatie niet zo urgent was dat medewerking onmogelijk was en dat andere maten aanwezig waren om de controle te faciliteren. Het College oordeelde dat appellante de controle daadwerkelijk had verhinderd en dat de omstandigheden geen noodsituatie vormden die medewerking onmogelijk maakte.
Verder stelde appellante dat zij mocht vertrouwen op een brief van het COKZ waarin werd aangekondigd dat een tweede onaangekondigde controle zou volgen en dat er geen rapport zou worden opgemaakt. Het College oordeelde dat deze brief geen ondubbelzinnige toezegging bevatte en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagde.
Ten slotte wees het College het beroep af omdat artikel 26, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dwingend voorschrijft dat een landbouwer die een controle verhindert volledig van steun wordt uitgesloten, zonder ruimte voor belangenafweging. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.