ECLI:NL:CBB:2014:170

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 mei 2014
Publicatiedatum
15 mei 2014
Zaaknummer
AWB 12/523
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herziening heffingen boomkwekerijproducten en beroep op artikel 11 EVRM

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van 19 april 2012 waarbij hun bezwaren tegen heffingen voor boomkwekerijproducten ongegrond zijn verklaard. Het College heeft bij tussenuitspraak van 10 juli 2013 verweerder opgedragen het besluit te herzien. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het besluit op 24 september 2013 herzien, waarbij de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en te veel betaalde heffing met rente wordt terugbetaald.

Appellanten hebben aangegeven dat met het herzieningsbesluit volledig aan hun bezwaren is tegemoetgekomen, behalve het beroep op artikel 11 EVRM Pro over de verplichte aansluiting bij het Productschap. Het College oordeelt dat dit beroep niet slaagt, verwijzend naar eerdere uitspraken. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond.

Het College veroordeelt verweerder tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan appellanten, omdat het gebrek in het oorspronkelijke besluit redelijkerwijs aan verweerder kan worden toegerekend. De reactie van appellanten op het herzieningsbesluit wordt niet als zienswijze na bestuurlijke lus aangemerkt en levert geen extra punten op.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 19 april 2012 is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het herzieningsbesluit van 24 september 2013 ongegrond, met veroordeling van verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/523
4241

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2014 in de zaak tussen

[naam] VOF en 4 anderen, appellanten

(gemachtigde: G.P. van Malkenhorst),
en

Productschap Tuinbouw, verweerder

(gemachtigde: Th.Keizer).

Procesverloop

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 april 2012 (het bestreden besluit), waarbij hun bezwaren tegen heffingen voor boomkwekerijproducten ongegrond zijn verklaard.
Bij tussenuitspraak van 10 juli 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:64) heeft het College verweerder opgedragen het bestreden besluit met inachtneming van die uitspraak te herzien.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder bij besluit van 24 september 2013 het bestreden besluit herzien. De bezwaren zijn gedeeltelijk gegrond verklaard.
Bij brief van 21 oktober 2013 hebben appellanten naar aanleiding van het gewijzigde besluit een reactie gegeven.
Het College heeft op 14 november 2013 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.
Voor de voorgeschiedenis en de achtergrond van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak.
2.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder voor drie van de vijf appellanten opnieuw de heffingen vastgesteld. Voorts houdt het besluit in dat te veel betaalde heffing wordt terugbetaald, inclusief wettelijke rente. Appellanten hebben aangegeven dat met het besluit van 24 september 2013 volledig aan hun bezwaren is tegemoet gekomen, met uitzondering van het door hen aangevoerde beroep op artikel 11 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Het beroep wordt gelet daarop op grond van 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 september 2013. Niet valt in te zien dat appellanten nog belang hebben bij een beoordeling van het besluit van 19 april 2012, dat gelet op de tekst van het besluit van 24 september 2013 geheel door dit besluit is vervangen.
3.
Over de door appellanten aangevoerde stelling dat verplichte aansluiting bij het Productschap in strijd is met artikel 11 EVRM Pro heeft het College zich al meerdere malen uitgelaten. Die stelling kan naar het oordeel van het College niet slagen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar overweging 5.1 in de uitspraak van het College van 30 juni 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BN0939).
4.
Het beroep tegen het besluit van 19 april 2012 zal niet-ontvankelijk, en het beroep tegen het besluit van 24 september 2013 zal ongegrond worden verklaard.
5.
Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in het door appellanten betaalde griffierecht en de door hen gemaakte proceskosten omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het besluit van 19 april 2012, waaraan - zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld - een gebrek kleefde welk gebrek in redelijkheid aan verweerder valt toe te rekenen. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 487,-- per punt en een wegingsfactor 1). De reactie van appellanten op het besluit van 24 september 2013 merkt het College niet aan als schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, nu deze reactie zich beperkt tot de opmerking dat zij één beroepsgrond handhaven, zonder nadere toelichting. Hiervoor worden dan ook geen punten toegekend.

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 april 2012 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2013 ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310,-- aan appellanten te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,--, te betalen aan appellanten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, raadsheer, in aanwezigheid van A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.
w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk