ECLI:NL:CBB:2014:162

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 april 2014
Publicatiedatum
6 mei 2014
Zaaknummer
AWB 13/375
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 6:162 BWArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over beperking kennisneming e-mailbericht tipgever in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 25 april 2014 een beslissing genomen over de vraag of de kennisneming van een e-mailbericht van 22 september 2008, afkomstig van een tipgever, beperkt mag worden op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De verweerster, Stichting Autoriteit Financiële Markten, verzocht om geheimhouding van de identiteit van de tipgever en de inhoud van het bericht, uit vrees dat openbaarmaking toekomstige tipgevers zou afschrikken. Het College overwoog dat dit belang onvoldoende zwaarwegend is om beperking van kennisneming te rechtvaardigen, mede gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Het College verwees naar het recht van de wederpartij om getuigen te ondervragen en stelde dat de verklaring van de tipgever als een getuigenverklaring moet worden beschouwd. Zonder gegronde reden kan de identiteit van een getuige niet geheim worden gehouden. Het verzoek om beperking werd daarom afgewezen. Het e-mailbericht wordt teruggezonden aan verweerster met het verzoek het stuk binnen twee weken aan alle partijen te verstrekken.

Deze beslissing benadrukt het belang van transparantie in bestuursrechtelijke procedures en de zorgvuldige afweging tussen belangen van partijen en het algemeen belang bij openbaarheid van informatie.

Uitkomst: Het verzoek om beperking van kennisneming van het e-mailbericht van 22 september 2008 wordt afgewezen en het document moet aan alle partijen worden verstrekt.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/375
22310
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam], te[woonplaats], appellant

(gemachtigde: mr. G.P. Roth),
en

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten , verweerster

(gemachtigde: mr. H.J. Sachse).

Procesverloop

Appellant en verweerster hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9269).
Verweerster heeft bij het verweerschrift een e-mailbericht van 22 september 2008 overgelegd en daarbij met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van dit stuk. Ter motivering van haar verzoek verwijst verweerster naar haar brief aan de rechtbank van 19 april 2012 en de beslissing van de rechter-commissaris van 9 mei 2012.

Overwegingen

1.
Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2.
Deze door het College te nemen beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daar tegenover staat dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden.
3.
Het e-mailbericht van 22 september 2008 betreft een mededeling van een tipgever. Verweerster is van mening dat de identiteit van de tipgever alsmede de inhoud van de informatie waaruit de identiteit van de tipgever is af te leiden niet kan worden verstrekt en geheim dient te blijven. Zou dit niet het geval zijn dan bestaat volgens haar de aanmerkelijke kans dat tipgevers in de toekomst terughoudend zijn met het verschaffen van informatie terwijl dit voor het uitoefenen van haar taak als toezichthouder van groot belang is.
4.
Het College is van oordeel dat hetgeen verweerster ter motivering van haar verzoek om beperking van de kennisneming heeft aangevoerd onvoldoende is om deze beperking gerechtvaardigd te achten. Daartoe overweegt het College dat ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht heeft getuigen te ondervragen of te doen ondervragen. De verklaring van de tipgever is, gelet op het Kostovski-arrest (EHRM 20 november 1989 in zaak nr. 11454/85), een getuigenverklaring in de zin van artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM:
“ The Court notes that only one of the authors of the statements - namely the person
whose statements were read out at the trial - was, under Netherlands law, regarded as
a ‘witness’ (see paragraph 18 above). However, in view of the autonomous
interpretation to be given to this term (see the Bönischjudgment of 6 May 1985,
Series A no. 92, p. 15, par. 31-32), both authors should be so regarded for the
purposes of Art. 6 par Pro. 3 (d) Convention, since the statements of both of them,
whether read out at the trial or not, were in fact before the court and were taken into
account by it.”
Om de identiteit van een dergelijke getuige geheim te houden, moet er een gegronde reden
zijn (EHRM 28 februari 2013 in zaak nr. 22163/08, Mesesnel tegen Slovenië):
“ As regards the exceptions, the Court, in Al-Khawaja and Tahery (cited above),
referred to two requirements. First, there must be a good reason why the witnesses
could not be examined by the accused and second, when a conviction is based solely
or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the
accused has had no opportunity to examine or to have examined, sufficient
counterbalancing factors, including the existence of strong procedural safeguards,
must be provided (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, §sS 119-47).”
Hieruit volgt dat een verzoek om toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb dat is ingegeven door de wens de identiteit van een tipgever geheim te houden niet zonder meer gerechtvaardigd kan worden geacht.
Het College is van oordeel dat enkel de mogelijke terughoudendheid van tipgevers om verweerster in de toekomst informatie te verschaffen, onvoldoende grond vormt voor het beperken van de kennisneming van het e-mailbericht van 22 september 2008.
Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt derhalve afgewezen.
5.
Het College stuurt het e-mailbericht van 22 september 2008 terug aan verweerster. Verweerster dient binnen twee weken na de verzending van deze beslissing dit stuk aan het College en de andere partij toe te sturen. Stuurt verweerster het stuk niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Beslissing

Het College:
- beslist dat beperking van de kennisneming van het e-mailbericht van 22 september 2008 niet gerechtvaardigd is te achten;
- bepaalt dat dit document wordt teruggezonden aan verweerster;
- verzoekt verweerster binnen twee weken na heden het document aan
het College en de andere partij toe te sturen.
Aldus genomen op 25 april 2014 door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van
mr. M.A. Voskamp als griffier.
w.g. R.C. Stam w.g. M.A. Voskamp